Propagatie - realtime HF- en VHF-condities

Gestopt
Taal
Thema
HF/VHF · realtime

Propagatie

Wat doen de banden nu? Bandstatus uit gemeten ionosondewaarden, het hoogteprofiel van de ionosfeer boven ons, de MUF per windrichting op de kaart met de dag- en nachtgrens eroverheen, en een simulatie die laat zien waar je signaal heen gaat en wat je antenne daaraan bijdraagt. Bij elk getal staat waar het op rust. Van elke voorspelling houden we bij of hij klopte.

Paginaversie 4.15 · laatst gecontroleerd op 27-08-2026

Actief
VHF/UHF
Sporadic-E
101 SFU
Solar Flux (SFI)
Gemiddeld
1
Kp Index
Zeer Rustig
2,3
Hp30 (30 min)
rustig
B3.1
X-Ray Flux
Laag
0.6 nT
Bz (IMF)
Zwak Noordwaarts
22.9 MHz
MUF (3000km)
15m open
383 km/s
Zonnewind
Normaal
7
A Index
Rustig
D-laag (DRAP)
Geen absorptie

HF-conditiescore stand van 11:10

85/ 100
Goed
0 · slecht50100 · uitstekend

Berekend over 7 van de 7 factoren, samen 100% van het gewicht. Begrensd door Werkelijke ontvangst.

Bruikbare banden 73% van de DX-waarde F2 t.o.v. normaal 22,9 MHz MUF Absorptie D-laag fmin 1,70 MHz Geomagnetische verstoring Hp30 2,3 Poolabsorptie ovaal tot 66,5°N Vooruitzicht geen bijzonderheden Werkelijke ontvangst Dordrecht 1 boven en 2 onder normaal
Verloop van de afgelopen 7 dagen laagst 28 · gemiddeld 74 · hoogst 97

Elk kwartier één meting, met dezelfde berekening als het cijfer hierboven, op één punt na: de lijn telt onze eigen ontvangst en het Reverse Beacon Network niet mee. Die twee worden afgezet tegen een meetlat per band en per uur van de dag, en zolang zo'n meetlat nog volloopt zou de lijn springen zonder dat er aan de ionosfeer iets veranderde. Het laatste punt kan daardoor van het cijfer hierboven afwijken. De banden geven de oordelen aan: onder 28 slecht, tot 50 matig, tot 70 redelijk, tot 88 goed, daarboven uitstekend. Het dagritme is normaal, want 's nachts vallen de hoge banden weg.

Onze eigen ontvanger in Dordrecht telt mee: per band vergelijken we wat we nú horen met wat op dit uur van de dag normaal is. Daarnaast luisteren we elk kwartier 45 seconden mee op het Reverse Beacon Network en tellen we hoeveel unieke stations buiten Europa de Europese skimmers per band horen (48 skimmers in de laatste steekproef). Dat weegt twee keer zo zwaar als onze eigen antenne: één antenne kan last hebben van een storing in huis, tientallen ontvangers over heel Europa niet. Samen mogen ze het cijfer bijsturen maar niet overstemmen, want een gestoorde ionosfeer zit via de andere factoren al verrekend. Bekijk de bandtellingen.
Vooruitblik NOAA voor vandaag: 10% kans op een radioblackout (R1–R2), 1% op een zware (R3+), Kp tot 2. Dat is de normale achtergrond en drukt de score niet. uitgegeven 2026 Sep 02 0030 UTC
rustigstabiel Er worden geen geomagnetische of stralingsstormen verwacht en de zonneactiviteit blijft laag tot 4 september. Geen effect op de kortegolfcommunicatie verwacht.
Hoe vaak klopte het?
81,63%trefzeker (7 dagen)
86,92%trefzeker (29 dagen · hele reeks)
679momentopnames (7 dagen)
11 minlaatste meting

1388 bandoordelen tellen niet mee, omdat er voor die banden op dat moment geen meetlat was om het stil zijn tegen af te zetten. Dat heeft twee oorzaken. Zo'n meetlat begint leeg en vult zich per bandgroep en per uur van de dag, en dan ook nog apart voor doordeweeks en voor het weekend: in vrijwel elk weekend loopt er een contest, en dan horen we een veelvoud zonder dat de ionosfeer iets anders doet. Daarnaast zijn er twee banden waarvoor het DX-cluster te weinig meldingen levert om er ooit een meetlat van te maken, 60m en 4m; die blijven buiten de telling. Zonder meetlat valt niet te zeggen of het stil zijn ergens aan lag, en dan is buiten het percentage vallen eerlijker dan het kleuren.

Hoe we dit meten, en waarom het nog een tussenstand is

Elk kwartier leggen we per band vast wat we voorspelden, en kijken we daarna in het DX-cluster of er ook echt verbindingen waren. Dat levert per band drie mogelijke uitkomsten op: raak, te voorzichtig (dicht genoemd terwijl er verbindingen waren) of te optimistisch (open genoemd terwijl het stil bleef). Over de laatste 679 momentopnames zijn dat 5497 bandoordelen raak, 1056 te voorzichtig en 181 te optimistisch (één oordeel per band per meting). Nog eens 26 keer viel er niets te zeggen omdat het op dat uur normaal gesproken ook stil is op die band. Die tellen niet mee. Let op: het tweede cijfer heet "30 dagen" zodra de reeks zo lang is; tot dan beslaat het de hele reeks sinds de meetlat, en staat die lengte erbij.

De leerfase is voorbij

Sinds 03-08-2026 telt de meting beide soorten fout: een band die we dicht noemden terwijl er verbindingen waren, én een band die we open noemden terwijl het stil bleef terwijl er op dat uur normaal wél activiteit is. Daarvóór telde alleen de eerste mee, dus de oudere cijfers vielen te gunstig uit. Er zijn nu 2879 momentopnames onder die eerlijke telling, ruim boven de 1000 die we minimaal wilden hebben.

Er zijn genoeg eerlijke metingen om de drempels bij te mogen stellen. Dat gebeurt nog niet. De vier drempels staan nog precies op hun standaardwaarde en er is er nog nooit een verzet, met de hand noch automatisch: het bijstellen zelf is nog niet gebouwd. Het cijfer hierboven is dus wat de vaste instellingen opleveren, en dat blijft zo tot hier iets anders staat.

HF Condities

HAMQSL · N0NBH geldt wereldwijd, niet per regio

80m-40m
DagRedelijk
NachtGoed
30m-20m
DagGoed
NachtGoed
17m-15m
DagRedelijk
NachtRedelijk
12m-10m
DagSlecht
NachtSlecht

Validatie: voorspelling vs. werkelijke activiteit 3/4 komt overeen · 75%

Onafhankelijke check: het werkelijke aantal DX-cluster spots (3u) t.o.v. wat normaal is voor deze band op dit uur van de dag. Zo is "meer/minder dan verwacht" eerlijk, niet een vaste drempel.

BandVoorspeld (dag)DX-spots (3u)Normaal (dit uur)Oordeel
80m-40mRedelijk149~147 (114.2–219)Zoals normaal
30m-20mGoed132~144 (122.4–208.4)Zoals normaal
17m-15mRedelijk91~74.5 (54.4–94.6)Zoals normaal
12m-10mSlecht32~42.5 (30–61)Zoals normaal
"Normaal" = mediaan met p20–p80-bereik van deze band op dit uur, opgebouwd uit de afgelopen weken. Meer dan normaal = drukker dan gebruikelijk (mogelijke opening), minder dan normaal = rustiger dan verwacht. Valt de DX-feed uit, dan wordt er niets gesampled (baseline blijft schoon). Zolang er te weinig historie is staat er "baseline opbouwen".

Het propagatiebericht

02-09-2026 09:05 AI-gegenereerd: NOAA SWPC, HAMQSL, ionosonde, GFZ Potsdam & SIDC/SILSO

De conditie is uitstekend, je kunt direct op 20 m, 17 m en 15 m DX proberen, maar 12 m en 10 m blijven gesloten; 6 m en 4 m liggen alleen op de Sporadic‑E‑laag en zijn nu slechts marginaal. Voor lange‑afstand contact richting Europa, Afrika en Noord‑Amerika kun je de 20 m‑baken (RR9O, 4919 km) en de 17 m‑baken (RR9O, 4919 km + ZS6DN, 9015 km) zeker gebruiken, die tonen een open kanaal ondanks het model dat 15 m als marginaal classificeert. De 15 m‑baken is hoorbaar (RR9O, +11 dB) en bevestigt dat deze band open is, hoewel de MUF‑grens er net aan kleeft. Op 60 m, 40 m en 30 m luister je normaal; 30 m wordt wel iets minder actief, maar blijft bruikbaar. NVIS is mogelijk tot 60 m dankzij een foF2 van 6,2 MHz, dus voor korte‑ tot middellange hops kun je lokaal blijven op 60 m of 40 m.

De HF‑situatie wordt gedomineerd door een stijgende MUF (nu 21,7 MHz, +6 MHz in de laatste drie uur) en een lage LUF van 5,1 MHz; onder die frequentie is absorptie te sterk voor DX. Er is geen extra absorptie boven de normale achtergrond, dus geen DG‑storing. De geomagnetische activiteit is zacht (Kp ≈ 1), dus geen verstoring van de F‑laag. Het grootste beperkende element is de D‑laag‑absorptie onder de LUF, waardoor 160 m en 80 m nog gesloten blijven tot na zonsondergang. Zodra het daglicht verdwijnt, kunnen 80 m en 160 m weer opkomen, maar de huidige MUF‑trend laat die banden voorlopig buiten bereik.

Wat we nu echt horen bevestigt de diagnose: 80 m toont 7 stations, 60 m zelfs meer dan normaal (3 extra), 40 m en 20 m blijven op het gebruikelijke niveau, terwijl 17 m en 15 m iets minder spotten leveren dan verwacht. De 12 m‑ en 10 m‑banden blijven stil, net zoals voorspeld. De geïdentificeerde activators bevestigen de openheid op 20 m (11 activators), 40 m (15) en 30 m (1); op 17 m en 15 m is alleen het baken hoorbaar, hetgeen de enige harde aanwijzing voor hun openheid is.

Voor de komende 24 uur verandert niets wezenlijks: geen significante Kp‑stijging, geen proton‑storm en geen grote flare‑activiteit. De zonnevlekken‑regio’s rond de centrale meridiaan dragen geen extra risico voor blackout of geomagnetische verstoringen. De MUF‑trend zal langzaam blijven stijgen tot het middaguur en daarna afnemen na zonsondergang, dus richt je DX‑pogingen op de lagere HF‑banden vóór 18 uur UTC.

Op VHF en UHF is de troposferische ducting zwak (DI = 2) boven Nederland, maar sterk in Malta (DI = 7) en Turkije (DI = 6). Hiermee kun je op 2 m en 70 cm naar die regio’s reiken, vooral richting het Middellandse Zeegebied. Sporadic‑E is alleen “mogelijk”; de gemeten foEs van 3,8 MHz levert een Es‑MUF van ≈20 MHz, onvoldoende voor 6 m of 4 m, en de spotdichtheid bevestigt dat beide banden gesloten zijn. Daarom kun je nu alleen op 2 m zoeken naar lokale skips, terwijl 6 m en 4 m wacht op een echte Es‑opening.

Onze realtime observatie

BandOntvangstTegen normaalCallsLandenVerste stationLaatst
80mZwak≈ normaal1139 km PC2A27 min
60mStil≈ normaal
40mOpen↑ meer426783 km F5PBG0 min
30mOpen≈ normaal26142272 km RX3ASQ0 min
20mOpen≈ normaal106295763 km RA0SCA0 min
17mOpen↓ minder35139256 km JR2LJO0 min
15mOpen≈ normaal3169278 km JA5MHD0 min
12mOpen≈ normaal824382 km R9MW6 min
10mStil↓ minder

160m en 6m staan er bewust niet bij: voor 160m is de loop niet geschikt en voor 6m is er geen antenne, dus een nul zou daar iets zeggen over onze installatie en niets over de propagatie. Ze wegen om die reden ook niet mee in de HF-conditiescore.

Hoe je deze tabel leest

Dit is wat onze loop-antenne in Dordrecht zélf ontvangt, dus werkelijke decodes en geen voorspelling. Open, zwak of stil is de ruwe telling over de laatste 30 minuten: drie of meer unieke stations heet open, één of twee zwak, nul stil.

De kolom tegen normaal legt diezelfde telling naast wat gebruikelijk is voor deze band op dit uur van de dag. Dat is eerlijker dan de ruwe telling, want om drie uur 's nachts hoor je op elke band minder dan midden op de dag, en zonder die vergelijking zou elke nacht als een slechte nacht ogen.

Let op dat stil niet hetzelfde is als dicht. Een band kan prima open zijn zonder dat iemand uitzendt, en op de WARC-banden en de hoge banden gebeurt dat geregeld. Een stille band is daarom geen bewijs van slechte condities, alleen van weinig activiteit.

Bakens (NCDXF/IARU)

Achttien bakens over de hele wereld zenden om beurten uit op 14.100, 18.110, 21.150, 24.930 en 28.200 MHz. Elk baken is tien seconden aan de beurt: eerst zijn roepnaam, dan vier streepjes van een seconde op achtereenvolgens 100 W, 10 W, 1 W en 100 mW. De hele ronde duurt drie minuten en hangt vast aan de UTC-klok, dus wat hieronder staat is geen meting maar rekenwerk: dit hoort nu te zenden, en met dit vermogen.

Die vier streepjes zijn geen aftelling maar een meetlat voor je ontvangst. Elke stap is tien keer minder vermogen, oftewel 10 dB: 100 W, 10 W, 1 W, 100 mW. Het laatste streepje dat je nog hoort vertelt dus hoeveel marge dat pad heeft. Hoor je alleen de roepnaam en het eerste streepje, dan zit je er net aan; hoor je het vierde nog, dan heb je 30 dB over en is de verbinding ruim open. Daarvoor hoef je geen meetapparatuur te hebben, alleen goed te luisteren wanneer het stil wordt.

Het vermogen is afgeleid, niet gemeten. NCDXF publiceert de seinsnelheid (22 woorden per minuut) en de lengte van de streepjes (een seconde), maar geen tabel met het moment waarop elk streepje begint. Dat kan ook niet in één tabel: 4U1UN doet er in morse 3,2 seconden over en 4S7B 2,6, dus de streepjes beginnen bij die twee niet gelijk. We rekenen het per baken uit met de standaard morseverhoudingen. De volgorde en de vermogens liggen vast; het moment klopt op een fractie van een seconde na.

Dat maakt een baken iets anders dan een gewone spot. Bij een willekeurig station weet je niet met hoeveel vermogen of vanaf welke antenne er gezonden is, en niet eens of er iemand actief was. Bij een baken ligt dat allemaal vast en zendt het dag en nacht door. Wordt het gehoord, dan zegt dat iets over de ionosfeer en niet over hoe druk het op de band was.

20m · 14.100 MHz
-
17m · 18.110 MHz
-
15m · 21.150 MHz
-
12m · 24.930 MHz
-
10m · 28.200 MHz
-

BakenBeamAfstand20m17m15m12m10m
4U1UNNew York City 291° 5.866 km niet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoord
VE8ATInuvik, NT 343° 6.220 km niet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoord
W6WXMt. Umunhum 319° 8.849 km niet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoord
KH6RSMaui 342° 11.737 km niet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoord
ZL6BMasterton 34° 18.634 km niet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoord
VK6RBPRolystone 96° 14.173 km niet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoord
JA2IGYMt. Asama 38° 9.352 km niet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoord
RR9ONovosibirsk 54° 4.919 km 5 dB 4 dB 12 dB niet gehoordniet gehoord
VR2BHongkong 61° 9.320 km niet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoord
4S7BColombo 97° 8.388 km niet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoord
ZS6DNPretoria 159° 9.015 km niet gehoord 6 dB niet gehoordniet gehoordniet gehoord
5Z4BKikuyu 142° 6.619 km niet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoord
4X6TUTel Aviv 120° 3.277 km niet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoord
OH2BLohja uit de lucht 44° 1.534 km niet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoord
CS3BSão Jorge 228° 2.755 km niet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoord
LU4AABuenos Aires 229° 11.395 km niet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoord
OA4BLima 256° 10.496 km niet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoord
YV5BCaracas uit de lucht 262° 7.860 km niet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoordniet gehoord

In de kolommen per band staat de laatste keer dat een Europese RBN-skimmer dat baken hoorde, met de door die skimmer gemelde signaal-ruisverhouding; beweeg erover voor de roepnaam van de ontvanger en de leeftijd. Een skimmer is de ontvanger van een andere amateur, die alles wat hij hoort automatisch doormeldt aan het Reverse Beacon Network. Onze server maakt daar elk kwartier 45 seconden verbinding mee en leest die meldingen af. Een streepje betekent daarom niet dat het pad dicht is, alleen dat er in die steekproef geen melding langskwam: 45 seconden per kwartier is 5% van de tijd, en hoeveel skimmers er aanstaan wisselt. Gehoord is hard bewijs, niet gehoord is bijna geen bewijs. Ontvangsten blijven drie uur staan. Op dit moment 4 baken/band-combinaties in beeld.

En onze eigen ontvanger? Die luistert wel degelijk mee: een RX888 met een magnetische loop in Dordrecht, die dag en nacht FT8, FT4 en WSPR decodeert. Wat díe hoort staat apart, onder Onze realtime observatie, zodat nooit onduidelijk is of een waarneming van ons komt of van iemand anders. Wij melden zelf niets aan het Reverse Beacon Network, en dat komt niet doordat we ergens niet aan voldoen: de aansluiting past gewoon niet. Het RBN draait grotendeels op ontvangers die morse meelezen, en wij decoderen nergens CW. Voor FT8 en FT4 bestaat er wel een route, maar die verwacht meldingen van WSJT-X of JTDX, terwijl onze ontvanger de decoders van ka9q-radio gebruikt. En het programma dat de meldingen doorstuurt draait alleen op Windows, terwijl onze hele keten op Linux staat. Onze FT8- en FT4-ontvangsten gaan wél de deur uit, naar PSK Reporter. Sinds 27 augustus 2026 meet diezelfde ontvanger ook doorlopend de vijf bakenfrequenties zelf. Die metingen staan hier nog niet: eerst moet blijken of de bakens bij ons boven de ruis uitkomen, en zolang dat niet vaststaat zou een lege kolom meer beweren dan we weten. Status en schema: NCDXF/IARU International Beacon Project, ontvangsten via Reverse Beacon Network.

Ionosonde

Let op de leeftijd. Deze feed laat een station op zijn laatste waarde staan als het uitvalt, zonder dat je dat aan het getal ziet, een oude meting oogt precies als een verse. Daarom twee grenzen. Boven de 120 minuten telt een meting niet mee in de MUF-analyse en niet in de HF-conditiescore, maar staat hij hier nog wel: dat is een storing die morgen voorbij kan zijn, en die rijen staan doorgestreept. Ligt een station langer dan drie dagen stil, dan verdwijnt het uit deze tabel. Dat is geen meting meer. We blijven ze wel elk kwartier bevragen, dus komt er één terug, dan staat hij vanzelf weer tussen de metingen.
StationBronLeeftijdfoF2foEMUFdhmF2Score
El Arenosillo, Spain(EA036)El Arenosillo, Spain · EA036URSI-codeEA036Positie37.1° N, 6.7° WVanaf Dordrecht1864 km, in het zuidwestenLaatste meting2026-09-02 08:55:01 UTCLeeftijd16 minutenAutoscaling-score75/100Telt meeja De meetwaarden komen uit de feed; naam, code en positie zijn getoetst aan de stationlijst van GIRO. Waarom een station stilligt weten wij niet. Dat staat bij het instituut zelf. GIRO16 min7.0 MHz2.9 MHz24.3 MHz228 km75
Roquetes, Spain(EB040)Roquetes, Spain · EB040BeheerderObservatori de l'Ebre (Universitat Ramon Llull)Staat inRoquetes, CataloniëURSI-codeEB040Positie40.8° N, 0.5° OVanaf Dordrecht1266 km, in het zuidenLaatste meting2026-09-02 08:55:01 UTCLeeftijd16 minutenAutoscaling-score75/100Telt meeja De meetwaarden komen uit de feed; naam, code en positie zijn getoetst aan de stationlijst van GIRO. Waarom een station stilligt weten wij niet. Dat staat bij het instituut zelf: Observatori de l'Ebre (Universitat Ramon Llull). GIRO16 min6.8 MHz3.0 MHz22.3 MHz249 km75
Pruhonice, Czech Republic(PQ052)Pruhonice, Czech Republic · PQ052BeheerderInstitute of Atmospheric Physics, Tsjechische Academie van WetenschappenStaat inPrůhonice bij PraagURSI-codePQ052Positie50.0° N, 14.6° OVanaf Dordrecht723 km, in het oostenLaatste meting2026-09-02 08:55:00 UTCLeeftijd16 minutenAutoscaling-score70/100Telt meeja De meetwaarden komen uit de feed; naam, code en positie zijn getoetst aan de stationlijst van GIRO. Waarom een station stilligt weten wij niet. Dat staat bij het instituut zelf: Institute of Atmospheric Physics, Tsjechische Academie van Wetenschappen. GIRO16 min7.0 MHz3.1 MHz22.3 MHz245 km70
Juliusruh, Germany(JR055)Juliusruh, Germany · JR055BeheerderLeibniz-Institut für Atmosphärenphysik, KühlungsbornStaat inJuliusruh op RügenURSI-codeJR055Positie54.6° N, 13.4° OVanaf Dordrecht657 km, in het noordoostenLaatste meting2026-09-02 08:53:16 UTCLeeftijd18 minutenAutoscaling-score90/100Telt meeja De meetwaarden komen uit de feed; naam, code en positie zijn getoetst aan de stationlijst van GIRO. Waarom een station stilligt weten wij niet. Dat staat bij het instituut zelf: Leibniz-Institut für Atmosphärenphysik, Kühlungsborn. GIRO18 min7.1 MHz3.1 MHz23.1 MHz253 km90
Dourbes, Belgium(DB049)Dourbes, Belgium · DB049BeheerderKoninklijk Meteorologisch Instituut van BelgiëStaat inDourbes, NamenURSI-codeDB049Positie50.1° N, 4.6° OVanaf Dordrecht191 km, in het zuidenLaatste meting2026-09-02 08:55:00 UTCLeeftijd16 minutenAutoscaling-score95/100Telt meeja De meetwaarden komen uit de feed; naam, code en positie zijn getoetst aan de stationlijst van GIRO. Waarom een station stilligt weten wij niet. Dat staat bij het instituut zelf: Koninklijk Meteorologisch Instituut van België. GIRO16 min6.9 MHz3.1 MHz23.1 MHz237 km95
Fairford, England(FF051)Fairford, England · FF051URSI-codeFF051Positie51.7° N, 1.5° WVanaf Dordrecht426 km, in het westenLaatste meting2026-09-02 04:37:30 UTCLeeftijd4.5 uurAutoscaling-score70/100Telt meenee, ouder dan 120 min De meetwaarden komen uit de feed; naam, code en positie zijn getoetst aan de stationlijst van GIRO. Waarom een station stilligt weten wij niet. Dat staat bij het instituut zelf. GIRO5 u3.3 MHz--9.8 MHz299 km70
Warsaw, Poland(MZ152)Warsaw, Poland · MZ152URSI-codeMZ152Positie52.2° N, 21.1° OVanaf Dordrecht1122 km, in het oostenLaatste meting2026-09-02 08:45:00 UTCLeeftijd26 minutenAutoscaling-scoreniet beoordeeldTelt meeja De meetwaarden komen uit de feed; naam, code en positie zijn getoetst aan de stationlijst van GIRO. Waarom een station stilligt weten wij niet. Dat staat bij het instituut zelf. GIRO26 min7.4 MHz3.5 MHz22.2 MHz321 km--
Gibilmanna, Italy(GM037)Gibilmanna, Italy · GM037URSI-codeGM037Positie37.9° N, 14.0° OVanaf Dordrecht1709 km, in het zuidoostenLaatste meting2026-09-02 08:50:00 UTCLeeftijd21 minutenAutoscaling-score100/100Telt meeja De meetwaarden komen uit de feed; naam, code en positie zijn getoetst aan de stationlijst van GIRO. Waarom een station stilligt weten wij niet. Dat staat bij het instituut zelf. GIRO21 min7.2 MHz3.3 MHz22.7 MHz249 km100
Sopron(SO148)Sopron · SO148URSI-codeSO148Positie47.6° N, 16.7° OVanaf Dordrecht980 km, in het zuidoostenLaatste meting2026-09-02 08:55:00 UTCLeeftijd16 minutenAutoscaling-scorelevert deze bron nietInstrumentLowell Digisonde DPS-4DhmF2afgeleid uit M(3000)F2Telt meeja De meetwaarden komen uit de feed; naam, code en positie zijn getoetst aan de stationlijst van GIRO. Waarom een station stilligt weten wij niet. Dat staat bij het instituut zelf. eSWua16 min7.3 MHz2.6 MHz24.4 MHz270 km--
Rome(RO041)Rome · RO041BeheerderIstituto Nazionale di Geofisica e VulcanologiaStaat inRomeURSI-codeRO041Positie41.8° N, 12.5° OVanaf Dordrecht1260 km, in het zuidoostenLaatste meting2026-09-02 08:45:00 UTCLeeftijd26 minutenAutoscaling-scorelevert deze bron nietInstrumentLowell Digisonde DPS-4DhmF2afgeleid uit M(3000)F2Telt meeja De meetwaarden komen uit de feed; naam, code en positie zijn getoetst aan de stationlijst van GIRO. Waarom een station stilligt weten wij niet. Dat staat bij het instituut zelf: Istituto Nazionale di Geofisica e Vulcanologia. eSWua26 min6.8 MHz3.3 MHz21.5 MHz292 km--

KC2G / GIRO DIDBase eSWua / INGV

Bron: ionosondemetingen van het GIRO/DIDBase-netwerk via prop.kc2g.com, aangevuld met eSWua van het Istituto Nazionale di Geofisica e Vulcanologia: Upper atmosphere physics and radiopropagation Working Group, Electronic Space Weather Upper Atmosphere Database (eSWua) – HF Data, Version 1.0, doi.org/10.13127/ESWUA/HF (CC BY 4.0). eSWua is deels een deelplatform: de instrumenten zijn niet allemaal van het INGV, en de eigenaar hoort erbij vermeld. Volgens hun register zijn dat Sopron van het EPSS; Rome van het INGV.

Ionosondes elders op de wereld (19)

Deze stations staan verder dan 2000 km hiervandaan en zeggen dus niets over de ionosfeer boven ons; ze tellen niet mee in de conditiescore. Ze worden wél gebruikt als controlepunt voor de MUF-paden hierboven: bij een pad naar Zuid-Amerika is de ionosfeer halverwege belangrijker dan die boven Dordrecht.

Samen met de tabel hierboven is dit zo ongeveer alles wat er wereldwijd nog meet. Van de 104 stations die in het register van GIRO staan, leverden er op 04-08-2026 nog 26 data. Er zitten gaten van tienduizenden kilometers in, onder meer boven de oceanen en over grote delen van Azië. Loopt een pad daar dwars doorheen, dan rust de voorspelling voor dat stuk op een aanname; op de kaart zie je dat aan de holle stippen. Zie Meer info voor waarom het er steeds minder worden.

Metingen uit het GIRO/DIDBase-netwerk van de University of Massachusetts Lowell, opgehaald via prop.kc2g.com. Elk station wordt beheerd door een eigen instituut; klik op de bron voor de registratie van dat station.
StationAfstandfoF2hmF2LeeftijdBron
Tromso, Norway(TR169)2.116 km6.40 MHz247 km8 min GIRO
Athens, Greece(AT138)2.122 km7.32 MHz241 km5 min GIRO
Nicosia, Cyprus(NI135)2.929 km7.20 MHz231 km20 min GIRO
Millstone Hill, MA, USA(MHJ45)5.577 km3.70 MHz254 km8 min GIRO
Gakona, AK, USA(GA762)7.041 km3.27 MHz326 km7 min GIRO
Idaho Natl Lab, ID, USA(IF843)7.804 km3.65 MHz315 km15 min GIRO
Boa Vista, Brazil(BVJ03)8.096 km5.40 MHz293 km80 min GIRO
Cachoeira Paulista, Brazil(CAJ2M)9.589 km2.75 MHz302 km10 min GIRO
Hermanus, South Africa(HE13N)9.693 km7.70 MHz228 km5 min GIRO
Grahamstown, South Africa(GR13L)9.700 km8.20 MHz251 km10 min GIRO
Tucuman, Argentina(TUJ2O)11.082 km2.90 MHz278 km30 min GIRO
Bahia Blanca, Argentina(BBJ3R)11.968 km2.70 MHz297 km30 min GIRO
Darwin, Australia(DW41K)13.540 km8.26 MHz276 km20 min GIRO
Perth, Australia(PE43K)14.172 km7.35 MHz293 km15 min GIRO
Townsville, Australia(TV51R)15.165 km6.37 MHz302 km15 min GIRO
Niue Island(ND61R)16.344 km9.42 MHz369 km15 min GIRO
Canberra, Australia(CB53N)16.655 km5.88 MHz285 km15 min GIRO
Hobart, Australia(HO54K)17.070 km6.45 MHz298 km15 min GIRO
Norfolk, Australia(NI63_)17.129 km4.99 MHz323 km15 min GIRO
3 stations binnen bereik staan buiten beeld. Ze leveren al langer dan drie dagen niets, en dan is een waarde geen meting meer, ook niet doorgestreept. San Vito, ItalyVT139741 dagen stilChilton, United KingdomRL052741 dagen stilKaliningrad, RussiaKL1541618 dagen stil Ze worden wel elk kwartier bevraagd: komt er één terug, dan staat die vanzelf weer tussen de metingen hierboven.

Ionosfeer

22.9 MHz
MUF (3000km)
7 MHz
foF2 (kritisch)
251 km
hmF2 (hoogte)
Normaal
voor dit tijdstip
+1.9
Trend (3u)
Bandstatus DX (3000 km)
160m
80m
60m
40m
30m
20m
17m
15m
12mEs
10m
6mEs
4mEs
Open Marginaal Gesloten D-laag absorptieEs Open dankzij sporadische E, niet via de F2-laag
Een band is bruikbaar tussen twéé grenzen. Boven de MUF (22.9 MHz) kaatst de F-laag niets meer terug; onder de LUF (6.2 MHz) slokt de D-laag het signaal op vóórdat het de F-laag bereikt, absorptie loopt met ~1/f², dus die ondergrens is 's nachts veel lager dan 's middags. Betrouwbaar werken doe je onder de FOT (19.5 MHz = 0,85 × MUF); daarboven is het wisselvallig. 6m en 4m volgen niet de F2-MUF maar de Es-laag.
NVIS (0–500 km)
Bruikbaar tot 40m (7 MHz): onder ~3.7 MHz drukt de dagabsorptie het weg

De ionosfeer boven Europa ondersteunt momenteel DX-propagatie tot de 17m band (MUF 22.9 MHz). Overdag legt de D-laag een ondergrens op: onder ~6.2 MHz is DX niet realistisch (absorptie ~1/f²). NVIS (lokaal/regionaal, 0–500 km) is mogelijk tot en met de 40m band (foF2: 7 MHz). De MUF stijgt (+1.9 MHz over 3 uur), wat bij dit tijdstip hoort: de zon komt op. Sporadic-E: Actief (Es-MUF ~23 MHz), 6m/4m staan los van de F2-condities.

MUF Tijdreeks laatste 6 uur · Europees gemiddelde

De lijn is de hoogste frequentie die over een sprong van ongeveer 3000 km nog terugkomt, gemiddeld over de Europese ionosondes. Banden onder de lijn zijn over die afstand bruikbaar, erboven gaat het signaal de ruimte in. Over kortere afstanden ligt de grens lager. De schaal volgt de meetwaarden en begint niet op nul. Tijden in Nederlandse tijd.

Hoogteprofiel boven Dourbes 10:55 · ongeveer 190 km hiervandaan
foF26.92 MHz
foF14.75 MHz
foE3.10 MHz
foEs3.25 MHz
hmF2237 km
hmE99 km
MUF 3000 km23.1 MHz
M(3000)3.35
fmin1.70 MHz
Schaling95/100
Verste sprong bij de MUF3425 km
… via de E-laag2235 km

Wat je hieraan hebt: de hoogte waarop je signaal omkeert bepaalt hoe ver je in één sprong komt. Kaats je helemaal boven in de F2-laag, dan haal je 3425 km, en ligt die laag lager dan gaan daar honderden kilometers af. Let op de voorwaarde: die 3425 km haal je alleen vlak onder de MUF. Op een lagere frequentie keert je signaal veel lager om en spring je dus een stuk korter, ook al is de laag even hoog. In de simulatie hieronder zie je per frequentie wat er werkelijk haalbaar is. Staat foE hoog, dan kaatsen de lagere banden al op 99 km terug en kom je niet ver; een hoge foEs betekent juist kans op sporadische E, waar 10m en 6m het van moeten hebben.

Hoe je hem leest: op de as staat de frequentie waarop het plasma op die hoogte terugkaatst, niet de frequentie waarop jij zendt. Hoger dan foF2 wordt het plasma niet, vandaar dat de schaal bij 6.92 MHz ophoudt en niet doorloopt tot 30 MHz. Dat geldt voor een signaal dat recht omhoog gaat; schuin de lucht in ligt de grens rond 23.1 MHz, de MUF uit de grafiek hierboven. De vorm van de curve volgt het IRI-model, de vier getallen die hem vastleggen zijn per ionogram gemeten. Onderaan stopt de lijn net boven de E-laag: het dal daartussen ziet een ionosonde niet.

Het onbewerkte ionogram waar deze getallen uit komen, met alle losse echo's erin, staat bij het station in Dourbes zelf.

GIRO DIDBase · station DB049 Dourbes Meting: Koninklijk Meteorologisch Instituut van België CC BY-NC-SA 4.0

KC2G / GIRO ionosondes (9 EU stations)

Waar gaat je signaal heen?

Geabsorbeerd (D-laag) Gereflecteerd (E-laag) Gereflecteerd (F1-laag) Gereflecteerd (F2-laag) Passeert ionosfeer

Wat hiervan is gemeten.foF2 (6.9 MHz) en hmF2 (237 km) komen uit de ionosondes hierboven, die elk kwartier opnieuw worden bevraagd; de jongste meting is 16 minuten oud. De instituten achter die stations staan bij de tabel vermeld. foE (3.1 MHz) is eveneens gemeten, als afstandsgewogen gemiddelde over 9 stations. foF1 (5.4 MHz) en de hoogtes van de E- en F1-laag zijn niet gemeten: foF1 is de vuistregel 0,78 × foF2, en de E- en F1-hoogte staan vast op ongeveer 110 en 200 km. De ondergrens waaronder een band als geabsorbeerd geldt is onze eigen LUF-berekening (6.2 MHz). Dat is iets anders dan de absorptie door zonnevlammen verderop: die gaat over wat een uitbarsting er tijdelijk bovenop legt, dit over de gewone dagelijkse D-laag.

En let op de aanname. Welke laag een band terugkaatst hangt af van de hoek waaronder je uitstraalt, en in deze kaartjes staat die vast op een vlakke DX-hoek (rekenfactor 3,3 op de kritische frequentie). Straal je steiler, dan gaat een band door de E- en F1-laag heen die hier op de E- of F1-laag terugkomt. Zet die hoek daarom zelf eens om in de simulatie hieronder: dát is waar deze kaartjes een momentopname van zijn.

Simulatie experimenteel

Dit is nog volop in ontwikkeling. De berekeningen achter deze simulatie leggen we op dit moment voor aan mensen die er meer verstand van hebben dan wij. Hij staat er om te laten zíen hoe een signaal zich door de ionosfeer beweegt, niet om er verbindingen mee te plannen. Vaar er dus nog niet blind op: klopt er iets niet met wat je in de praktijk hoort, dan heeft de praktijk gelijk.

Antennediagram

Snel naar een amateurband
Dourbes meet nu een foEs van 3.25 MHz; met het schuifje kijk je wat een sterkere wolk zou doen.
De tweede golf waarin het aardmagnetisch veld je signaal splitst, als stippellijn.
Loopt alle amateurbanden af met de huidige ionosondemeting en zet de tekening op de winnaar.

De dikke lijn is jouw signaal, de dunne lijnen zijn dezelfde frequentie onder andere hoeken. Beweeg met de muis over de tekening en je leest per plek de hoogte, de afstand en hoe dicht het plasma daar is. Links langs de hoogte-as staat datzelfde gemeten plasmaprofiel als kromme, met jouw frequentie als stippellijn erdoorheen: waar die twee elkaar snijden keert een recht omhoog gezonden signaal om, en alles wat schuiner gaat komt eerder terug. Onderin ligt de D-laag. Daar kaatst niets op, die absorbeert alleen, en hoe sterk staat erbij als de fmin die de ionosonde nu meet. Het groene balkje op de grond is de ring waarbinnen deze frequentie landt: het gearceerde vlak links ervan is de dode zone, en de streepjeslijn rechts is de rand waar jouw frequentie de MUF wordt. Verder weg dan die lijn moet je een hogere band pakken, of meer sprongen achter elkaar zetten: elke volgende boog is bleker getekend, want die bestaat alleen als de ionosfeer dáár net zo meewerkt als hier, en dat weten we niet. Zet de frequentie laag en alles komt terug, dicht bij huis. Draai hem omhoog en je ziet eerst de steile stralen wegvallen: die gaan er recht doorheen, terwijl de vlakke er nog wel op kaatsen. Nog hoger en er komt niets meer terug: dan zit je boven de MUF voor die hoek.

De knoppen eronder. Kies een antenne en de dunne stralen krijgen de dikte van wat je antenne daar werkelijk uitstuurt; ernaast staat het bijbehorende diagram. Er zijn er vijf, en ze verschillen in twee dingen: hoe ze de elevatie verdelen en welke polarisatie ze afgeven. Dat tweede bepaalt namelijk hoe de grond de weerkaatsing behandelt, en dat scheelt bij scherende inval alles. Een dipool is horizontaal en heeft altijd een nul langs de horizon, dus hoe lager de gewenste hoek, hoe minder er heen gaat. De inverted-V is diezelfde dipool met hangende benen, aan één mast in het midden, en dat kost een stuk van je lage hoeken: op 40m met de top op 12 m ligt de beste hoek van een vlakke dipool rond 46° en die van de V rond 59°. De reden zie je zodra je hem uitrekent. De stroom zit niet meer op één hoogte maar verdeeld over twee schuine benen, en het zwaartepunt daarvan hangt lager dan je mast. Is de mast te kort om de benen 45° te laten zakken, dan laat de simulatie ze vanzelf vlakker lopen tot de uiteinden nog net op een meter zitten, want dat is ook wat je in de tuin doet. Een rondstraler is verticaal en straalt juist laag. Hoe laag hangt af van de grond eronder, en dat is geen detail: boven zeewater houdt een verticaal op 5° bijna alles, boven droog zand blijft daar nog geen kwart van over. Dat verschil komt uit de Fresnel-reflectie op de grond, met de bodemwaarden van de ITU. De stand "ideale grond" staat er als rekenvoorbeeld tussen: dat is de aanname waar leerboeken mee beginnen en die een verticaal een laagste hoek geeft die in de praktijk niet bestaat. De twee magnetische loops volgen uit één en dezelfde afleiding, want een kleine lus gedraagt zich als een magneetstaafje langs zijn as. Zet je hem rechtop, dan ligt die as horizontaal en is de straling verticaal gepolariseerd: hij haalt lage hoeken zoals een verticaal, en hij is dus net zo gevoelig voor de grond eronder. Leg je hem plat, dan staat de as rechtop en is de straling horizontaal gepolariseerd. Let dan op iets wat veel mensen verrast: een platte magnetische loop heeft juist recht boven zich een nul, want daar kijk je langs zijn as. Als NVIS-antenne is hij daarmee ongeschikt, anders dan een volle-golf draadlus, die iets heel anders is. Wat deze doorsnede niet laat zien is de richting: een loop heeft twee diepe nullen dwars door het vlak van de lus, dus draaien helpt. Om dezelfde reden staat er geen yagi bij. De opstralingshoek van een horizontale richtantenne wordt door zijn hoogte bepaald, net als bij die dipool, en zijn winst zit in de richting waarin je hem draait. In een doorsnede is dat verschil niet te zien, en dan een tweede kromme tekenen die toevallig hetzelfde is, zou meer verwarren dan uitleggen. Om dezelfde reden staat er geen eindgevoede halvegolf bij: die heeft dezelfde stroomverdeling als een dipool en dus hetzelfde diagram, alleen op een ander punt gevoed.

En wat doet je zendvermogen? Kies je een vermogen, dan rekent de pagina het verlies van je antenne op die hoek om naar watt. Dat is geen extra natuurkunde maar dezelfde uitkomst in een eenheid waar je gevoel bij hebt: −3 dB is de helft van je vermogen, −6 dB een kwart, −10 dB een tiende. Zo zie je meteen waar de winst zit. Zend je met 100 W op een hoek waar je dipool 9 dB inlevert, dan doet dat wat 13 W op de beste hoek van diezelfde antenne zou doen, en zou je ongeveer 750 W nodig hebben om dat met de zender goed te maken. Een mast een paar meter verhogen is bijna altijd goedkoper dan een eindtrap. Let wel op wat dit niet zegt. Het gaat uitsluitend over wat je antenne de lucht in stuurt, niet over wat er aan de andere kant aankomt. Daarvoor zou je het padverlies en de absorptie onderweg moeten meerekenen, en die zitten hier niet in. Een signaalsterkte voorspellen kan deze simulatie dus niet, en dat moet ze ook niet doen alsof. Met Sporadische E leg je een dunne, sterk geïoniseerde wolk op 110 km in je pad, met de foEs die je zelf kiest; het schuifje begint op wat Dourbes nu meet. Zet hem hoog en je ziet waarom 6m de magic band heet: de straal keert ineens veel lager om, de sprong wordt korter en er komen frequenties terug waar de F2-laag allang niets meer mee doet. De X-straal ten slotte is dezelfde zender: het aardmagnetisch veld splitst elk signaal in twee golven die net iets anders reflecteren, en dat is precies waarom een ionogram twee sporen laat zien.

De straal buigt in het gemeten profiel van Dourbes, volgens de regel van Bouguer op een bolle aarde. De tekening zelf is vlakgeslagen en de hoogte fors uitgerekt, anders verdwijnt 300 km ionosfeer naast 4000 km grond in een streepje. Wat er niet in zit: absorptie (de D-laag staat er wel, maar er wordt niets afgetrokken), verlies bij de weerkaatsing op de grond tussen twee sprongen, en het gegeven dat de ionosfeer 2000 km verderop anders is dan boven Dourbes. De Es-wolk is een keuze van jou en geen waarneming van waar hij ligt; hoe het er nú voor staat lees je in de Sporadic-E-sectie.

Waar de rekenregels vandaan komen: de baan door de ionosfeer volgt de regel van Bouguer voor een bolvormig gelaagd medium, op het profiel dat de ionosonde van Dourbes zelf meet (foF2, hmF2, foE, hmE, B0, B1 via GIRO). De splitsing in een O- en een X-straal gebruikt de gyrofrequentie die uit diezelfde meting volgt, want fxI en foF2 verschillen precies de helft daarvan. Het antennediagram is het tweestralenmodel met de Fresnel-reflectiecoëfficiënt van de grond; de bodemconstanten (zeewater, goede grond, gemiddeld, droog) komen uit ITU-R P.527. De inverted-V wordt niet met die ene formule afgedaan maar als een sommetje over de draad: beide benen in zestig stukjes, elk met zijn eigen hoogte en zijn deel van de stroom. Dat mag omdat de verticale bijdragen van de twee benen elkaar dwars op de draad precies opheffen, zodat er een horizontaal gepolariseerde antenne overblijft waarvan de stroom over een reeks hoogtes verdeeld zit. Controle: zet de helling op nul en er komt exact de dipoolformule uit. De twee lussen zijn kleine (magnetische) lussen, doorgerekend als een magnetische dipool langs de as van de lus. Verliezen zitten er niet in, en juist bij een magnetische loop is dat het zwakke punt: het rendement hangt aan de afstemcondensator en de weerstand van de lus zelf. Deze tekening zegt dus wel wáár hij heen straalt, niet hoevéél. De hoogte van de Es-wolk is een aanname van 110 km, dezelfde die deze pagina voor de Es-MUF gebruikt; foEs stel je zelf in.

Waarom je hier geen grayline in ziet. Deze tekening beantwoordt één vraag: buigt de ionosfeer je signaal terug naar de aarde? Of dat signaal de reis ook overleeft is een andere vraag, en daar gaat de grayline over. Bij zonsopkomst en zonsondergang valt de D-laag binnen minuten weg terwijl de F2-laag zijn lading uren vasthoudt: de spiegel blijft staan, de demper verdwijnt. Ligt een pad net langs die schemergrens, dan geldt dat over de hele route tegelijk in plaats van over een half verlicht traject. Absorptie zit hier helemaal niet in, en een pad van duizenden kilometers bestaat uit meerdere sprongen door ionosfeer die onderweg heel anders is dan hier. Voor dat verhaal is er de grayline-sectie en de MUF Paden verderop.

Absorptie door zonnevlammen

Geen absorptie
Alle HF-frequenties bruikbaar boven NL
Normal X-ray Background
Röntgenflux
Normal Proton Background
Protonenflux
niets extra
Boven de normale achtergrond voor dit uur (3.1 MHz)

Er is momenteel geen noemenswaardige D-laag absorptie boven Nederland.

NOAA D-Region Absorption Prediction

Actieve zonnevlekregio's

Deze kansen tellen niet mee in de HF-conditiescore. Een kans op een vlam absorbeert niets: pas als hij er is doet de D-laag iets, en dan meet de absorptiekaart het. Wat er wél van meetelt zit er via de NOAA-kansen al in, en die worden juist uit deze regiokansen berekend.
Regio Waar op de zon Magnetisch Vlekken M-vlam X-vlam Protonen
AR4520
S12W20 · recht tegenover onsstaat recht tegenover ons: bij een uitbarsting slaat de röntgenflits meteen op de dagzijde neer en gaat de kortegolf daar tijdelijk dicht
bèta
1010%1%1%
AR4523
N10E63 · oostrand, draait naar ons toekomt net om de oostrand kijken en draait de komende dagen naar ons toe: iets voor later in de week, niet voor vandaag
alfa
11%1%1%
AR4521
N09E53 · oostelijke tussenpositiestaat op de oostelijke helft: een vlam raakt de dagzijde wel, maar protonen komen hier moeilijk aan omdat de veldlijn naar ons aan de westkant vertrekt
alfa
21%1%1%
AR4522
N13W27 · tussen midden en voetpuntstaat tussen het midden en het magnetische voetpunt in, dus zowel een blackout op de dagzijde als protonen zijn mogelijk
bèta
21%1%1%
AR4518
N08W37 · tussen midden en voetpuntstaat tussen het midden en het magnetische voetpunt in, dus zowel een blackout op de dagzijde als protonen zijn mogelijk
onbekend
01%1%1%
AR4519
N27W31 · tussen midden en voetpuntstaat tussen het midden en het magnetische voetpunt in, dus zowel een blackout op de dagzijde als protonen zijn mogelijk
onbekend
00%0%0%
AR4513
N05W0* · recht tegenover onsstaat recht tegenover ons: bij een uitbarsting slaat de röntgenflits meteen op de dagzijde neer en gaat de kortegolf daar tijdelijk dicht
bèta
20%0%0%
AR4515
S07W85 · westrand, draait wegstaat voorbij dat voetpunt en draait de komende dagen weg; protonen komen hier minder makkelijk aan dan vanaf het midden van de westkant
onbekend
00%0%0%

Wil je weten wat deze regio's betekenen voor het poollicht? Op de Noorderlicht Monitor staan dezelfde regio's met de duiding voor aurora en geomagnetische verstoring. Daar ligt het net andersom: voor poollicht is juist een regio recht tegenover ons de gunstige stand, want dan komt een wolk zonneplasma onze kant op.

Hoe weten we dit?

Dat de plek op de zonneschijf bepaalt of en hoe een uitbarsting ons raakt, is geen vuistregel van ons. Het staat zo bij de dienst die deze cijfers uitgeeft en in de vakliteratuur. Hieronder per bewering waar hij vandaan komt.

Het punt op de zon waar de veldlijn die ons bereikt geworteld is, ligt bij een gewone zonnewind van ongeveer 400 km/s rond 60° westerlengte. Dat punt schuift mee met de zonnewindsnelheid: hoe sneller de wind, hoe strakker de spiraal en hoe dichter het voetpunt bij het midden van de schijf komt te liggen.

MUF Paden

Elke lijn is een grootcirkel vanaf Dordrecht, met op de sprongpunten de plek waar het signaal de ionosfeer raakt. Daar wordt de MUF bepaald, en de laagste van die punten geldt voor het hele pad. Een holle stip betekent dat er daar geen ionosonde in de buurt staat en we de lokale waarde hebben moeten gebruiken; op zo'n punt rust het getal in de tabel dus op minder. De schaduw is de nacht: valt de hele route daarin, dan verdwijnt de D-laag die de lage banden opslokt, en dat is wat een graylinepad groen maakt.

grayline: hele route in de schemer open geen band open geen dekking reflectiepunt met ionosonde reflectiepunt zonder, lokale waarde nacht
PadRichtingAfstandHopsMUFHoogste bandOndergrensBasis
EU RegionaalDL/ON/PA500 km9.9 MHz40m6.3 MHzgemeten
EU BreedG/I/EA1.500 km19.5 MHz20m17m6.3 MHzgemeten
EU → NA OostW1-W46.000 km13.3 MHz30m6.2 MHzgemeten
EU → NA WestW6-W79.000 km11.6 MHz40m30m6.7 MHzgemeten
EU → JapanJA9.200 km23.5 MHz17m15m7.6 MHzdeels gemeten
EU → Z-AmerikaPY/LU10.000 km11.0 MHzGeen7.6 MHzgemeten
EU → Z-AfrikaZS9.500 km25.6 MHz15m12m9.1 MHzgemeten
EU → OceaniëVK/ZL17.000 km22.3 MHz17m15m9.6 MHzdeels gemeten
"Basis" zegt of er bij de reflectiepunten daadwerkelijk ionosondes staan. Boven oceanen en dunbevolkte gebieden staan er geen, en dan is de waarde een extrapolatie van de dichtstbijzijnde metingen, beweeg over het label voor de punten en hun bron. Een pad kan een lage MUF hebben terwijl het hier zonnig hoog staat: het zwakste controlepunt (vaak een nachtelijk stuk pad) is maatgevend.

Ionosonde foF2/hmF2 via KC2G: referentie Dourbes, Belgium

MUF Kaart

Maximum Usable Frequency wereldkaart

KC2G prop.kc2g.com

Grayline

NL: 06:51 / 20:24
LokaalGMT
--:--:--UTC --:--:--
NederlandPA/PI CESTUTC+2
06:51 20:24
Verenigd KoninkrijkG/M BSTUTC+1
06:14 19:45
VS OostkustW1-W4 EDTUTC-4
06:24 19:27
VS WestkustW6-W7 PDTUTC-7
06:27 19:17
Caribisch geb.PJ/FJ ASTUTC-4
06:25 18:45
BraziliëPY BRTUTC-3
06:16 17:56
Zuid-AfrikaZS SASTUTC+2
06:19 17:55
Midden-OostenA4/A7 GSTUTC+4
05:47 18:23
IndiaVU ISTUTC+5:30
06:23 18:52
JapanJA JSTUTC+9
05:13 18:08
AustraliëVK AESTUTC+10
06:12 17:37
Nieuw-ZeelandZL NZSTUTC+12
06:40 18:00
HawaiiKH6 HSTUTC-10
06:15 18:46
Nacht Grayline Dag Nu
Grayline tip: De grayline (terminator) is het moment van zonsopkomst of -ondergang. Propagatie is vaak versterkt langs de grayline, plan DX-contacten rond deze tijdstippen.

VHF Condities

VHF Aurora
Gesloten
E-Skip Europa
Gesloten
E-Skip N-Amerika
Gesloten
E-Skip 6m EU
Gesloten
E-Skip 4m EU
Gesloten

HAMQSL · N0NBH per regio, Europa apart elk kwartier opgehaald

Dit is een modeluitkomst van N0NBH, geen meting: hij leidt deze oordelen af uit de zonne- en geomagnetische indices. Voor sporadische E hebben wij een hardere bron, namelijk de foEs die de ionosondes zelf meten. Die staat hieronder en weegt bij ons zwaarder dan dit model.

Sporadic-E (6m / 4m)

Actief
Sporadische E-propagatie: op basis van spotdichtheid
23Es-MUF (MHz) uit foEs 4.35
86m spots (1u)
116m spots (3u)
14m spots (3u)
GeslotenHamQSL 6m
Bruikbaar via Es?6m ja · spots4m nee2m nee

Twee onafhankelijke bewijzen, elk genoeg: de gemeten Es-MUF haalt de band, óf er zijn aantoonbaar verbindingen. Dat laatste kan ook zonder hoge foEs, want Es-wolken zijn plaatselijk en staan niet altijd boven een ionosonde.

foEs gemeten · 7 EU-ionosondes, hoogste GM037 eigen spotdichtheid · 6m en 4m HAMQSL-model elk kwartier herberekend, ionosondemeting 16 min oud

Ter vergelijking, en niet als bron gebruikt: DXMaps 6m live en MMMonVHF. Wanneer Es doorgaans optreedt, hoe het dagritme loopt en waar de ionisatie vandaan komt staat onder Meer info, bij "Wanneer treedt sporadische E op?".

Tropo Ducting

Ducting Index

Schaal 0 (geen) → 9 (extreem). Hoe verder de refractiviteitsgradiënt onder −40 N/km zakt, hoe sterker de ducting.

DI 2, Zwak

Atmosferische Conditie

Gradiënt: -53.2 N/km, 84.6% van het Nederlandse grondgebied onder de standaardatmosfeer.

Verhoogde refractie

VHF Reikwijdte

VHF-signalen op 2m en 70cm: licht verhoogde propagatiekans.

Tot 200–500 km

Calling Frequenties

Probeer 144.300 MHz SSB (calling) of FT8 op 144.174 MHz voor DX-verbindingen.

Nu actief
2
DI
Zwak
Nederland
-77.7 N/km
Piek (sterkste cel)
84.6%
Oppervlak met ducting
-53.2 N/km
Gem. gradiënt
Landenvergelijking: Europa 43 van 47 boven de standaardatmosfeer
Nederland
Zwak
2
Malta
Intens
7
Turkije
Zeer Sterk
6
Cyprus
Redelijk
4
Griekenland
Redelijk
4
Italië
Redelijk
4
Monaco
Redelijk
4
Portugal
Redelijk
4
Spanje
Redelijk
4
Vaticaanstad
Matig
3
Albanië
Zwak
2
Bulgarije
Zwak
2
Denemarken
Zwak
2
Finland
Zwak
2
Frankrijk
Zwak
2
Moldavië
Zwak
2
Oekraïne
Zwak
2
San Marino
Zwak
2
Zweden
Zwak
2
Belarus
Marginaal
1
België
Marginaal
1
Bosnië en Herzegovina
Marginaal
1
Duitsland
Marginaal
1
Estland
Marginaal
1
Hongarije
Marginaal
1
IJsland
Marginaal
1
Ierland
Marginaal
1
Kroatië
Marginaal
1
Letland
Marginaal
1
Liechtenstein
Marginaal
1
Litouwen
Marginaal
1
Luxemburg
Marginaal
1
Noord-Macedonië
Marginaal
1
Noorwegen
Marginaal
1
Oostenrijk
Marginaal
1
Polen
Marginaal
1
Roemenië
Marginaal
1
Rusland
Marginaal
1
Servië
Marginaal
1
Slovenië
Marginaal
1
Slowakije
Marginaal
1
Tsjechië
Marginaal
1
Verenigd Koninkrijk
Marginaal
1
Andorra
Geen
0
Kosovo
Geen
0
Montenegro
Geen
0
Zwitserland
Geen
0
0 Geen1–2 Marginaal/Zwak3–5 Matig/Redelijk/Sterk6–7 Zeer Sterk/Intens8–9 Zeer Intens/Extreem
Per land wordt een rechthoek uit het modelraster genomen, geen landsgrens: de doos rond Noorwegen bevat ook zee en Zweeds bergland, en buurlanden overlappen elkaar. Dit is dus een vergelijking van luchtmassa's, geen landsgemiddelde. Het raster is 0,25° (≈ 25 km), dus de kleinste landen rusten op één of twee cellen. Die staan met een stip gemarkeerd en zeggen meer over de lucht boven de buurt dan over het land zelf. Hoeveel cellen een cijfer draagt, staat in de tooltip. Bron: ECCC/MSC GDPS-GEML, drempels volgens ITU-R P.453.
1178
2m EU-spots · 10 min
30
70cm EU-spots · 25 min
1250
2m totaal
1170
2m buiten EU

Dit meten wij niet zelf. Onze eigen ontvanger in Dordrecht luistert alleen op de kortegolf, zoals te zien bij onze realtime observatie; op 2m en 70cm hebben we geen ontvanger staan. Deze aantallen komen dus volledig van PSKReporter: honderden amateurs die zelf melden wat hun ontvanger heeft gedecodeerd. Dat maakt het een prima graadmeter voor drukte, maar het meet de dekking van dat netwerk mee. Weinig spots kan dus ook betekenen dat er in die hoek weinig ontvangers staan of dat er niemand uitzond, niet per se dat de band dicht is.

Ducting wereldkaart

|Beweeg de muis over de kaart
0 Geen1–2 Marginaal/Zwak3–5 Matig/Redelijk/Sterk6–7 Zeer Sterk/Intens8–9 Zeer Intens/Extreem

Beweeg over de kaart en je ziet per punt het land met vlag, het locatorvak van vier tekens, en de zone-indeling die amateurs gebruiken: CQ voor contesten en awards zoals WAZ, ITU voor de indeling van de Internationale Telecommunicatie-unie, en R1 tot R3 voor de IARU-regio, die bepaalt welk bandplan daar geldt. Daaronder staat de ductingwaarde zelf. Handig als je op de kaart een sterk ductinggebied ziet liggen en wilt weten wie je daar zou kunnen werken: je hebt meteen het land, de richting waarin je moet draaien en de zone die je nog mist. De zonegrenzen komen uit dezelfde gegevensbestanden als de QTH-locatorkaart, dus beide pagina's geven altijd hetzelfde antwoord.

ECCC/MSC GEM Global: run 2026-09-02T00:00Z

Solar Data

ParameterWaardeClassificatieBeschrijving
Solar Flux101 SFUGemiddeldRadiostraling van de zon op 10,7 cm (2800 MHz), ook wel F10.7 of F10.7cm-flux. SFI en F10.7 zijn hetzelfde getal, uitgedrukt in solar flux units (sfu). Hogere SFI = meer ionisatie van de F2-laag = meer HF-banden open. <70 = laag · 100+ = goed · 150+ = uitstekend.
A Index 7RustigDaggemiddelde van geomagnetische activiteit (schaal 0–400). Afgeleid uit de K-index over 24 uur. 0–7 = rustig (ideaal voor HF) · 8–15 = onrustig · 16–29 = actief · 30–49 = kleine storm (HF-degradatie) · 50–99 = grote storm · 100+ = ernstige storm.
K Index 1Zeer Rustig3-uurs meting van geomagnetische activiteit (schaal 0–9). Geeft aan hoe onrustig het aardmagnetisch veld op dit moment is. 0–1 = rustig · 3–4 = onrustig. Vanaf 5 loopt de NOAA G-schaal mee: Kp 5 = G1 (klein), 6 = G2 (matig), 7 = G3 (sterk), 8 = G4 (zwaar), 9 = G5 (extreem). Hoe hoger, hoe slechter HF op de hogere breedtegraden.
Hp302,3rustigDezelfde grootheid en dezelfde schaal als Kp, maar elke 30 minuten in plaats van elke 3 uur, gemeten door hetzelfde observatorium (GFZ Niemegk). Kp middelt drie uur uit, waardoor het begin van een storing pas na afloop van dat blok zichtbaar is; Hp30 laat de opbouw meteen zien. Anders dan Kp is Hp30 niet begrensd op 9. GFZ publiceert een waarde een half uur tot een uur na afloop van het gemeten interval, dus ook dit is geen live meting, alleen een veel kortere achterstand dan de drie uur van Kp. De G-schaal van NOAA is officieel op Kp gedefinieerd, dus het niveau hiernaast is een indicatie. Hoogste waarde in 24 uur: 2,7, laatste afgesloten 3-uurs Kp: 1,7.
X-RayB3.1LaagRöntgenstraling van de zon (GOES-satelliet). Klasse A/B = achtergrond (geen effect) · C = lichte flare · M = matige flare (kortstondige HF-blackout op de dagzijde mogelijk) · X = sterke flare (ernstige HF-uitval op zonzijde).
Zonnevlekken55GemiddeldDagelijks aantal zonnevlekken (SSN). Meer vlekken = hogere magnetische activiteit op de zon = hogere SFI = betere HF-propagatie. 0–15 = minimum · 50–100 = gemiddeld · 150+ = cyclusmaximum. We zitten nu in cyclus 25.
Proton Flux0.279 pfuNormaalProtonen van zonne-erupties, gemeten door GOES boven 10 MeV. De eenheid is pfu. Deeltjes per cm², per seconde, per steradiaal. Rustig is een fractie van 1. Vanaf 10 pfu spreekt NOAA van een S1-storm en kan er Polar Cap Absorption optreden op routes over de pool; vanaf 1000 pfu is dat S3. Op onze breedte merk je er zelden iets van. Nu: geen (onder S1-drempel van 10 pfu).
Electron Flux508.9 e/cm²/s/srHoogElektronen in de buitenste stralingsgordel, gemeten door GOES boven 2 MeV. NOAA waarschuwt vanaf 1000; daarboven neemt de kans toe dat satellieten statisch opladen. Voor HF maakt het weinig uit. Dit zegt meer over de ruimtevaart dan over de banden.
Aurora 2Zeer OnwaarschijnlijkAurora-activiteitsindex op een schaal van 0 tot 10, afgeleid van de POES-satellieten, dus geen percentage en geen breedtegraad in graden. Een hogere waarde duidt op meer activiteit en poollicht op lagere breedtegraden; bij rust ligt de grens typisch rond 67°N. Sterke aurora = verhoogde HF-absorptie op trans-polaire paden. Aurorascatter kan VHF juist bevorderen.
Zonnewind383.9 km/sNormaalSnelheid van deeltjes die de zon uitstoot. Normaal ~300–400 km/s. >500 km/s = verhoogd · >700 km/s = kan geomagnetische storm veroorzaken (afhankelijk van Bz-richting). Snellere wind na een CME arriveert na 1–3 dagen bij de aarde.
Magnetisch Veld (Bz) 1.9 nTZwak NoordwaartsZ-component van het interplanetair magneetveld (IMF). Bepalend voor geomagnetische impact: positief (noordwaarts) = aardmagnetisch veld sluit zich af, weinig effect · negatief (zuidwaarts) = veld verbindt met aarde, energie-instroom, verhoogde Kp en stormen. Hoe negatiever, hoe meer effect.
SignaalruisS0-S1Zeer ZwakAchtergrond RF-ruisniveau op HF (S-eenheden). Hoger = meer statische ruis en QRM op de banden, ongeacht de propagatiecondities. Kan veroorzaakt worden door atmosferische activiteit (onweer) of verhoogde zonneactiviteit.

Bronnen: zonneflux, indices, röntgenklasse, zonnevlekken, zonnewind, Bz, aurora-index en signaalruis komen van N0NBH / HamQSL. Proton- en elektronenflux komen niet daarvandaan maar rechtstreeks van de GOES-satellieten via NOAA SWPC, omdat HamQSL die twee in een andere eenheid levert dan de schaal waarop ze beoordeeld worden. De stormschalen (S1–S5 voor protonen, G1–G5 bij de Kp-index) zijn die van de NOAA Space Weather Scales.

Grafieken

GOES X-Ray Flux (24 uur)

NOAA GOES Satellite

Zonnewind & Magnetisch Veld (6 uur)

NOAA DSCOVR Satellite

Hp30 (48 uur, elke 30 minuten)

GFZ Niemegk Hp30 (CC BY 4.0)

Kp Index Voorspelling (3 dagen)

NOAA SWPC Planetary K-index Forecast

Historische Trend (30 dagen)

GFZ Potsdam · SILSO

Meerdaagse Verwachting (27 dagen)

DagSFI (F10.7)ApHoogste KpGeomagnetisch
wo 02-09105 sfu52Rustig
do 03-09100 sfu52Rustig
vr 04-09100 sfu52Rustig
za 05-0995 sfu52Rustig
zo 06-0995 sfu52Rustig
ma 07-0995 sfu52Rustig
di 08-0995 sfu52Rustig

NOAA SWPC 27-Day Outlook

Zonnecyclus Positie

NOAA Solar Cycle Progression

DX Cluster

2m
10
spots/uur
4m
1
spots/uur
6m
11
spots/uur
10m
10
spots/uur
12m
15
spots/uur
15m
43
spots/uur
17m
5
spots/uur
20m
36
spots/uur
30m
7
spots/uur
40m
68
spots/uur
80m
3
spots/uur

Activators

POTA · 32SOTA · 5WWFF · 14
TijdProg.CallReferentieBandFreqMode
11:09POTADG4HZDE-0539 · Fischbeker Heide Nature Park40m7.074FT8
11:09SOTADL/M0WML/PDM/BW-849 · Wagnersberg20m14.280SSB
11:09WWFFOK1DO/POKFF-1157 · PR Zizkuv vrch40m7.025CW
11:09POTAKC5JECUS-11782 · Dunes BLM Recreation Management Area40m7.074FT8
11:06SOTAS56LXN/PS5/CP-020 · Strmec40m7.072SSB
11:07WWFFEA2EZ/PEAFF-0878 · ZEPA Los Valles20m14.296SSB
11:09POTAJF4IQS/1JP-1822 · Shibaura Minami Port Prefectural Park40m7.001SSB
11:06SOTALA1KHA/PLA/BU-012 · Nordbykollen20m14.062CW
11:05WWFFOK1COW/POKFF-3337 · EVL Louky u Cerného lesa40m7.116SSB
11:09POTAJK2NWUJP-1470 · Aburagafuchi Waterside Prefectural Park40m7.074FT8
11:05SOTAIU2KBNI/LO-192 · Monte Due Mani – Quota 166720m14.058CW
11:00WWFFDL3BRE/PDLFF-0717 · Niederoderbruch40m7.022CW
11:09POTA7M3DUU/PJP-1177 · Arakawa Oaso Prefectural Park17m18.100FT8
11:04SOTAHB9CYX/PHB/VS-236 · Punkt 2195 bei Quieu Dehors20m14.252SSB
10:50WWFFOK2JIQ/POKFF-1744 · PP Lom Rasova20m14.059CW
11:09POTAF1LPT/PFR-0331 · Carrieres des Nerviens Regional Reserve40m7.074FT8
10:49WWFFOG3E/POHFF-0027 · Rokuan kansallispuisto40m7.144SSB
11:09POTAIT9GJK/PIT-1000 · Parco dell'Etna Provincial Park Reserve20m14.074FT8

POTA SOTA WWFF

DXpeditions

EntiteitCallPeriodeBandenModesQSL
Namibianu actiefV55YAug 25-Oct 10, 2026160-6m, incl 60mQRV as V55Y in CQWW RTTY ContestDK2WH
Papua New Guineanu actiefOH7OAug 29-Sep 8, 202680-10m, perhaps 160m, LoTW
Icelandnu actiefTF/DA6IC/PAug 30-Sep 13, 2026, , LoTW)
Madeiranu actiefCT9/LX1MDAAug 31-Sep 6, 202640-10m focus on 20mSSB FT8LoTW
Grenadanu actiefJ38LDSep 1-12, 202680-6mSSB FT8 FT4LoTW
Cape Verde Isnu actiefDF2WOSep 1-15, 2026160-6mSSB CWM0OXO OQRS
St Kitts and NevisW5JONAug 24-31, 2026160-6mSSB FT8LoTW
PanamaHP/WE9GSep 2-9, 2026160-6mFT8, some CW SSBLoTW
San Andres IPY8WWSep 3-7, 202620-6mSSB CW + digitalLoTW
PalauJA0JHQSep 4-7, 2026HFCWLoTW
KosovoIZ2DPXSep 4-11, 202660-6mSSB FT8 FT4LoTW
VietnamSP5APWSep 4-12, 2026, , LoTW

NG3K Announced DX Operations

Externe tools & bronnen

Point-to-point voorspelling

Live spots & ontvangst

VHF / Sporadic-E

Nederlandse bronnen

Meer info

De Ducting Index (DI) op deze pagina is gebaseerd op de verticale refractiviteitsgradiënt in de onderste troposfeer, berekend uit het ECCC/MSC GDPS-GEML model (0,25°-grid ≈ 25 km, niveaus 1000–850 hPa, twee runs per dag). Refractiviteit N beschrijft hoe sterk de atmosfeer radiogolven buigt:

N = 77.6·P/T + 3.73×10⁵·e/T²

De standaardatmosfeer heeft een gradiënt (dN/dh) van ongeveer −40 N/km; alles wat daaronder zakt geeft extra straalbuiging. Elke 10 N/km dieper stijgt de DI één stap:

DIStatusGradiëntVerwachting
0Geen≥ −40 N/kmStandaardatmosfeer, geen ongewone propagatie
1Marginaal−40 .. −50Lichte verbetering mogelijk, niet betrouwbaar
2Zwak−50 .. −60Sporadisch enhanced propagatie mogelijk
3Matig−60 .. −70Kans op verbindingen richting kust/zee
4Redelijk−70 .. −80Merkbare verbetering, DX op 2m mogelijk
5Sterk−80 .. −90Goede kans op verbindingen tot 1000+ km
6Zeer Sterk−90 .. −100Uitstekende ductingomstandigheden
7Intens−100 .. −110Lange-afstand DX, meerdere banden betrokken
8Zeer Intens−110 .. −120Zeldzaam sterk, 2000+ km op 2m mogelijk
9Extreem< −120Uitzonderlijk event, vergelijkbaar met Hepburn extreme
Niet hetzelfde als de Hepburn Tropo Index. William Hepburn (dxinfocentre.com) gebruikt eveneens het Canadese GEM Global-model als invoer, maar hanteert een eigen, niet-gepubliceerd algoritme. Zijn schaal loopt van 0 tot 10 en is open naar boven, de legenda op zijn kaart eindigt op "10+". Zijn pagina vermeldt als invoer alleen "Meteorological Service of Canada" (dat is de dienst achter GEM); onze DI gebruikt die GEM-data met een transparante refractiviteitsberekening en stopt op 9. De getallen kunnen afwijken.
Terminologie: −40 N/km is de gradiënt van de standaardatmosfeer, niet de drempel voor superrefractie. De ITU-classificatie loopt: subrefractie (> 0), normaal (rond −40), superrefractie (ca. −79 tot −157 N/km) en trapping (< −157 N/km, oftewel dM/dh < 0 in modified refractivity), zie ITU-R P.453. Onze DI start bewust al bij −40 N/km, omdat verbeterde propagatie op 2m/70cm in de praktijk ruim vóór de trapping-drempel merkbaar is; DI 9 (< −120 N/km) ligt dus nog boven de formele trapping-grens. Of er écht trapping is, toont de aparte "Trapping duct"-indicator.

Banden die profiteren van ducting: 2m (144 MHz), 70cm (432 MHz), 23cm (1296 MHz) en hogere microgolfbanden. HF wordt er niet door beïnvloed.

Direct actie bij DI ≥ 3:

  • Check 144.300 MHz SSB: de Europese calling frequency voor 2m DX
  • Monitor FT8 op 144.174 MHz via WSJT-X (gevoelig genoeg voor vroege ducting)
  • Bekijk real-time 2m-spots op DX Maps (144 MHz): veel spots richting GB/FR/DK = ducting bevestigd
  • Vergelijk met Hepburn-kaart: dxinfocentre.com, zelfde schaal, ander algoritme
  • Prognosekaarten (ECMWF-model): F5LEN Tropo Forecast

Validatie: Onze DI is modeldata (GDPS-GEML, ~25 km, analyse-uur P000). De ultieme check is DX Maps, als onze DI ≥ 4 meldt én er zijn tientallen 2m-spots richting het zuidwesten, dan klopt de voorspelling. Lokale inversielagen op kleine schaal (<25 km) worden mogelijk gemist door de modelresolutie.

Bakens als ultieme validatietool: Stationair uitgestraalde bakensignalen op 2m zijn de snelste bevestiging van ducting. Als je een baken hoort dat normaal buiten bereik ligt, is er zonder twijfel propagatie:

  • GB3VHF: 144,4275 MHz, Kent (Engeland), op 270 km van Nederland, normaal niet hoorbaar
  • PI7CIS (144,416 MHz, Den Haag) bruikbaar als referentie voor korte-afstand ducting richting kust
  • DB0FAI (144,478 MHz, Duitsland) oost-richting indicatie

Monitor deze frequenties via een SDR-ontvanger of WSJT-X (opnemen en decoderen). Een onverwacht sterk signaal van GB3VHF bevestigt ducting over de Noordzee direct.

Beste omstandigheden: stabiel hogedrukgebied, hete zomerdagen aan de kust, temperatuurinversie op 500–1500m hoogte. Sterkst richting de Noordzee, Middellandse Zee en over vlak land.

Er staat nog maar één cijfer op een schaal van 0 tot 100 op deze pagina, en dat is de HF-conditiescore: een samengestelde score over alle ruimteweerfactoren samen. In de sectie Ionosfeer stond tot voor kort een tweede cijfer op diezelfde schaal, dat alleen de hoogte van de MUF uitdrukte. Dat is weggehaald, want twee ronde cijfers naast elkaar lezen als twee oordelen over hetzelfde terwijl ze iets anders meten. De MUF staat daar nu gewoon in MHz, en dat is preciezer dan een schaal die eromheen bedacht is.

Zo is de HF-conditiescore opgebouwd

Sinds 9 augustus 2026 rekent de score met een gewogen kwaliteit per factor. Elke factor krijgt een cijfer q tussen −0,50 (diep in het rood) en 1,00 (ruim in orde), met 0,70 als grens tussen groen en oranje en 0,15 als grens tussen oranje en rood. Daartussen wordt vloeiend geïnterpoleerd, dus Kp 3,9 en Kp 4,0 schelen een paar honderdsten in plaats van tien punten.

Uit die kwaliteiten volgen twee getallen, en het laagste wint:

  • Het totaalbeeld: de som van gewicht × kwaliteit, gedeeld door de gewichten van de factoren die op dat moment data hadden. Dit is het cijfer voor “veel kleine ongemakken”.
  • Het plafond: wat de slechtste factor nog toestaat. Zonder plafond zouden zes goede factoren één blackout kunnen wegpoetsen, en zo werkt de ionosfeer niet. Dit is het cijfer voor “één ernstig probleem”.
FactorWat het meetGewichtPlafond bij rood
Bruikbare bandenhet aandeel van de HF-banden dat open staat, gewogen naar hoeveel DX een band vanuit Nederland werkelijk draagt. Komt rechtstreeks uit de LUF/MUF-berekening van deze pagina3,035
F2 t.o.v. normaalde gemeten MUF of foF2 gedeeld door wat op dít uur normaal is. Vangt de negatieve stormfase, waarin de F2-laag nog dagen verzwakt blijft terwijl Kp al hersteld is. Het gewicht schaalt mee met de autoscale-score van de ionosonde: een wankele meting praat minder hard mee2,040
Werkelijke ontvangstonze loop in Dordrecht én de Europese skimmers van het Reverse Beacon Network, allebei tegen wat op dit uur normaal is. Het RBN weegt dubbel: één antenne kan last hebben van een storing in huis, tientallen niet1,070
Absorptie D-laaghet DRAP-overschot boven de rustige achtergrond, de röntgenklasse, en fmin van Dourbes (de laagste frequentie waarop de ionosonde zijn eigen echo nog terugziet). De strengste van de drie telt, want ze beschrijven één verschijnsel0,835
Geomagnetische verstoringHp30 als die er is, anders Kp, met de A-index als maat voor hoe lang het al duurt en Bz als vooruitloop0,845
Poolabsorptiede protonenflux naast de zuidgrens van het aurora-ovaal. Allebei zetten ze een absorberende laag boven de noordelijke paden (Noord-Amerika, Japan) terwijl Zuid-Europa er niets van merkt0,355
Vooruitzichtde NOAA-kans op een radioblackout en de verwachte Kp, naast de richting van onze eigen MUF-reeks over het laatste uur. Het lichtste gewicht van allemaal, want een kans is geen gebeurtenis0,275

De vier onderste factoren wegen bewust licht. Op een rustige dag staan ze allemaal op 1,00, en met een zwaar gewicht zou het cijfer “er is niets aan de hand” even hard belonen als “er kan van alles”. Hun werk zit in het plafond: één ernstig probleem drukt het cijfer weg, geen probleem hoort het niet omhoog te tillen. Daarnaast gelden een paar absolute regels die los van de weging een maximum opleggen: een X-vlam op de dagzijde (max 20), een DRAP-overschot boven 10 MHz (25), een geomagnetische index van 8 of hoger (25), minder dan twee bruikbare banden (30) en een protonenstorm van S2 of zwaarder (45).

Een bron die ontbreekt valt uit de som én uit de gewichten, en drukt het cijfer dus niet. Wel rust het cijfer dan op minder, en dat staat onder de balk. Daar hangt ook een grens aan: zoveel zekerheid als er bewijs is. Bij volledige dekking legt dat niets op, met de helft van de bronnen kan het hoogstens “Goed” worden, en op de ondergrens niet meer dan een ruime voldoende. Genormaliseerd rekenen voorkomt namelijk wel dat een uitgevallen bron het cijfer omláág trekt, maar niet dat het cijfer even stellig blijft klinken.

Vallen de bandstatus én de F2-laag allebei weg, dan verschijnt er een streepje in plaats van een cijfer: dan blijven alleen de verstoringsfactoren over, en die staan op een rustige dag allemaal op vol punt. Afwezigheid van storing is geen bewijs van propagatie. Hetzelfde geldt binnen de bandfactor: is van minder dan 60% van de banden de status bekend, dan telt die factor niet mee, want “twee open en van de rest geen idee” is geen volle score.

De eindscore vertaalt zich naar een label: ≥ 88 Uitstekend70–87 Goed50–69 Redelijk28–49 Matig< 28 Slecht. Die 88 is geen willekeurig getal: één oranje factor legt een plafond van 87 op, dus “Uitstekend” is alleen haalbaar als alles groen staat. Kleur, cijfer en label zeggen daarmee hetzelfde. De actuele factoren staan als losse labels in de sectie HF-conditiescore bovenaan deze pagina; de hele berekening staat in de uitklap bij het cijfer zelf.

Waarom er geen factor voor het seizoen of het tijdstip in zit

Het uur van de dag en de tijd van het jaar hebben grote invloed op de propagatie, maar ze zijn geen conditie: ze zijn de omstandigheid waarin de conditie gemeten wordt. Dat 's nachts de MUF zakt is geen slecht nieuws, dat is nacht. Ze zitten er daarom niet als aparte post in, maar in de manier waarop alles gemeten wordt: elke vergelijkende factor wordt afgezet tegen wat op dít UTC-uur normaal is. De MUF, de foF2, de D-laagabsorptie (DRAP en fmin), onze eigen bandtellingen en de RBN-tellingen houden allemaal een eigen geschiedenis per uur bij. Het dagritme is daarmee al uit het cijfer gedeeld, en omdat die geschiedenis meeloopt met de laatste weken volgt hij de seizoenen vanzelf, zonder dat er ergens een seizoenstabel onderhouden hoeft te worden.

Eén factor is met opzet wél absoluut: bruikbare banden. Om drie uur 's nachts zijn er werkelijk minder banden open, en wie zich afvraagt of het de moeite is om de set aan te zetten heeft niets aan “goed voor dit uur”. De dag van de week doet fysiek helemaal niets met de ionosfeer, maar wel met hoevéél mensen er uitzenden, en dat raakt de twee factoren die naar werkelijke ontvangst kijken: in vrijwel elk weekend loopt er een contest. Weekend en doordeweeks houden voor die metingen daarom een eigen geschiedenis bij, anders zou elk contestweekend als “condities boven normaal” binnenkomen en elke maandag als “onder normaal”.

Waar bronnen elkaar overlappen

Waar meerdere bronnen hetzelfde verschijnsel beschrijven, telt steeds de strengste en nooit de som: DRAP, röntgen en fmin kijken alle drie naar de D-laag, protonen en het aurora-ovaal doen allebei iets met de noordelijke paden, en Kp, Hp30, de A-index en Bz meten hetzelfde aardmagnetische veld met een andere klok. Optellen zou één storing meerdere keren afrekenen, en dat was precies het gebrek van het oude model.

Wat er bewust niet in zit: de actieve zonnevlekregio's (een kans op een vlam absorbeert niets, en hun kansen zitten er al in via de NOAA-vooruitblik die eruit berekend wordt), het zonnevlekgetal (loopt vrijwel gelijk op met de zonneflux en telt dan twee keer), de zonnewindsnelheid (zit al in de geomagnetische factor), de elektronenflux (die zegt iets over satellieten), en de DX-clusteractiviteit en de activator-spots. Die laatste twee zijn onze toets: daarmee controleren we achteraf of de voorspelling klopte, en wie zijn eigen huiswerk nakijkt met datzelfde huiswerk leert niets. De zonneflux telt alleen mee als de ionosondes zwijgen, als vervanger van de meting die hij benadert.

Waarom zegt de MUF iets anders dan deze score?

Omdat de MUF maar één ding meet: hoe hoog de ionosfeer op dit moment nog terugkaatst, en dus hoe hoog je qua band kunt gaan. De HF-conditiescore weegt daarnaast flares, geomagnetische stormen en D-laag-absorptie mee. De ionosfeer kan dus prima reflecteren terwijl een verhoogde Kp of een M-flare de score omlaag drukt. Vuistregel: de MUF zegt hoe hoog je kunt, de HF-conditiescore zegt hoe goed de omstandigheden als geheel zijn.

Hoe accuraat is de score? (zelf checken)

De score is een gewogen heuristiek, geen meting, vergelijk hem dus met onafhankelijke bronnen:

  • Andere voorspellers: [hamqsl.com (N0NBH)] band-condities en [prop.kc2g.com] MUF-kaart, wijken die sterk af, dan klopt er iets niet.
  • De échte test. Werkelijke verbindingen: [Reverse Beacon Network] en [PSK Reporter] tonen real-time welke banden daadwerkelijk spots opleveren. Noemt de score een band "open" terwijl er geen spots zijn (of andersom), dan is de weging bij te stellen.
  • Achteraf ijken: noteer een paar dagen de score naast je eigen waarnemingen op de band. Zo zie je of de drempels (de getallen in de tabel hierboven) goed staan voor jouw locatie en antennes.

Hoe goed zat de bandstatus er de afgelopen tijd naast?

Dit hoeft niemand meer op zijn woord te geloven: elke 15 minuten leggen we per band vast wat we voorspelden en hoeveel DX-spots er werkelijk op die band verschenen. Dat levert een gemeten trefzekerheid op.

PeriodeTrefzekerheidRaakTe voorzichtigTe optimistischOnbeslistNiet beoordeeldMetingen
7 dagen81,63%54971056181261388679
29 dagen86,92%247402694102899850882879

Raak = open of marginaal voorspeld én spots gezien, of gesloten voorspeld én stil. Te voorzichtig = wij zeiden gesloten terwijl er wel degelijk spots waren, en dat kost je een opening. Te optimistisch = wij zeiden open terwijl het muisstil bleef op een uur waarop dat niet normaal is. Beide foutrichtingen tellen even zwaar mee: telde alleen de eerste, dan werd "overal open roepen" beloond. Onbeslist is een open band zonder spots op een uur waarop het volgens de eigen baseline toch al stil pleegt te zijn; daar valt niets uit te leren, dus die tellen niet mee. Niet beoordeeld is iets anders en het verschil is wezenlijk: daar ontbrak de meetlat, dus wísten we het niet. Allebei blijven ze buiten de trefzekerheid, want een oordeel dat je niet kunt onderbouwen hoort het cijfer niet te kleuren. Metingen worden helemaal overgeslagen als de DX-feed niet aantoonbaar leeft, zodat een uitgevallen feed de statistiek niet oppoetst.

En wat doen we met die meting?

De meting loopt automatisch, elk kwartier, dag en nacht. Wat er daarna gebeurt, verschilt per onderdeel, en dat onderscheid is belangrijk:

  • De ijkpunten stellen zichzelf bij. Per band of bandgroep en per uur van de dag bewaren we de laatste 30 tellingen van wat we horen; "druk" op 20m om drie uur 's nachts is iets anders dan om drie uur 's middags. Ook de DRAP-achtergrond werkt zo: per UTC-uur een mediaan over veertien dagen aan rustige momenten, zodat we alleen het overschot afrekenen. Die verwachtingen schuiven vanzelf mee met seizoen en zonnecyclus.
  • De drempels van de bandstatus niet. Die staan los van de code (zie de tabel hieronder) en kunnen dus bijgesteld worden zonder dat er iets herschreven hoeft te worden, maar dat gebeurt alleen met de hand. De leerfase die daaraan voorafging is sinds 17-08-2026 voorbij; er zijn genoeg eerlijke metingen. Bijstellen mag dus, maar het is nog niet gebeurd: geen enkele drempel staat anders dan bij de start.
  • De gewichten van de score al helemaal niet. Die staan vast tot iemand ze aanpast, en dat is bewust: we toetsen de bandstatus, niet de score. Wat je niet meet, moet je ook niet automatisch laten bijstellen.

Wat de meting per band laat zien

Waar de trefzekerheid hierboven één getal is over alle banden samen, staat hier waar dat getal vandaan komt. De laatste zeven dagen, per band:

BandTrefzekerBeslisbaarTe voorzichtigTe optimistischNiet beoordeeld
160m78%656291170
80m78%67914430
60m000679
40m100%679000
30m98%6791220
20m82%67912000
17m76%67916210
15m71%67919700
12m77%679126310
10m60%67926630
6m96%64602430
4m000679

Onder de dertig beslisbare gevallen is een percentage een toevalstreffer; die staan daarom grijs. Een band met veel "niet beoordeeld" heeft zijn meetlat nog niet vol, en dan blijft het cijfer dat ernaast staat een tussenstand.

60m en 4m staan er met opzet op nul. Deze toets leunt volledig op het DX-cluster, en daar komt op 60m ongeveer één melding per etmaal binnen en op 4m een handvol, tegen ruim honderd op 40m en op 6m. Met zulke aantallen zegt "we hoorden niets" niets over de band, alleen iets over hoe weinig mensen er zijn. Ze meetellen zou het cijfer verzinnen in plaats van meten, dus blijven ze buiten de telling tot er een bron is die wél iets over die twee banden zegt. De voorspelling zelf staat gewoon bovenaan de pagina; alleen de controle achteraf ontbreekt.

Waar je op moet letten: de fout is zelden willekeurig. Wijst een band structureel naar één kant, dan zit er een gebrek in de berekening en niet in de ionosfeer. Zo stond 10m begin augustus op 14% trefzeker, altijd dezelfde kant op: ruim 280 keer "dicht" voorspeld terwijl er wel degelijk verbindingen waren. De oorzaak bleek aanwijsbaar, de bandstatus keek onder 50 MHz alleen naar de F2-MUF terwijl Sporadische E in de zomer juist 10m, 12m en 15m opent. Sinds die banden ook op de Es-MUF getoetst worden, staat 10m een stuk hoger. Precies daarvoor is deze meting er.

De drempels waarmee dit gemeten wordt

De bandstatus komt tot stand met een handvol drempels. Die stonden tot voor kort als vaste getallen in de code, en dat maakte bijstellen een codewijziging, niet terug te draaien, niet te herleiden en niet te meten. Nu zijn het waarden die apart staan, met een toegestaan bereik en een logboek: wie iets verzet, legt vast wat en waarom.

DrempelNuWat hij doet
muf_marge1.00hoeveel een band bóven de gemeten MUF mag liggen voordat we hem gesloten noemen
fot_factor0.85de FOT als deel van de MUF, daaronder heet een band open, ertussen marginaal
luf_marge0.80hoe ver onder de LUF een band helemaal dicht heet
es_marge0.90hoe dicht de gemeten Es-MUF bij de band moet liggen om hem marginaal te noemen

Ze staan nog allemaal op hun standaardwaarde. De voorwaarden om ze te mogen verzetten zijn wel gehaald: de meting telt sinds 03-08-2026 beide soorten fout, er zijn inmiddels 2879 momentopnames onder die eerlijke telling (er waren er 1000 nodig) en de wachttijd tot 17-08-2026 is verstreken. Wat er nog niet is, is het bijstellen zelf: geen enkele drempel is ooit verzet, met de hand noch automatisch. Het cijfer hierboven is dus onvervalst wat deze vaste instellingen opleveren.

Zo hoort het te gaan zodra er wél bijgesteld wordt: per band, één drempel tegelijk. Wijst de fout structureel dezelfde kant op en is dat over genoeg beslisbare gevallen, dan schuift die drempel één stapje binnen zijn bereik, met de reden erbij in het logboek. De week erna is de meting het bewijs, daalt de trefzekerheid, dan gaat de wijziging terug. Vandaar het bereik per drempel: een lus die zichzelf bijstelt kan op ruis reageren en wegdrijven, en die grenzen houden het binnen wat fysisch nog te verdedigen is.

Wekelijkse controleronde

De bedoeling is dat dit niet blijft liggen. Eén keer per week lopen we de cijfers per band langs en kijken we welke banden structureel de verkeerde kant op wijzen. Die ronde draait nu al en rapporteert; het aanpassen van de berekening is er nog niet bij, dat blijft handwerk op grond van wat die ronde meldt. Blijkt daarbij dat we gegevens missen om een band goed te kunnen beoordelen, dan is het zoeken naar een bron die dat wél levert onderdeel van diezelfde ronde.

Een voorbeeld van wat zo'n ronde oplevert: de ionosondes waarop de MUF-berekening steunt zijn niet altijd vers. Op het moment van schrijven had de bron 101 stations, waarvan er twee een meting van minder dan een uur oud hadden, beide in Argentinië. De Europese stations zwegen al twaalf uur. Onze berekening weigert dan terecht een analyse te maken, maar dat gebeurde stil: de pagina bleef ondertussen een foF2-waarde van twaalf uur oud tonen alsof die actueel was.
Belangrijk: de gewichten in de tabel hierboven zijn onze eigen weging, er bestaat geen officiële HF-conditiescore. De onderliggende meetwaarden komen wél van vaste bronnen: SFI, SSN, A- en K-index via HamQSL/N0NBH, röntgenflux, DRAP en Kp via NOAA SWPC, Kp-dagwaarden en de half-uurs Hp30 via GFZ Helmholtz Centre for Geosciences (observatorium Niemegk, CC BY 4.0), en foF2/MUF uit de Europese ionosondes via prop.kc2g.com (dat op zijn beurt het GIRO/DIDBase-netwerk gebruikt). Zonnevlekken (SSN) komen van SIDC/SILSO.

Bron: deze score is eigen werk en geen norm, de wegingen hieronder zijn onze keuze. De ingrediënten komen wél van elders: zonneflux en indices van N0NBH/HamQSL, de foF2- en MUF-metingen van de GIRO-ionosondes via prop.kc2g.com, en de D-laagabsorptie uit het DRAP-model van NOAA.

De VHF-sectie op deze pagina toont twee soorten indicatoren die niets met elkaar te maken hebben, maar beide VHF-verbindingen op grote afstand mogelijk maken via een totaal andere route:

Troposferische Ducting: een weerfenomeen

Ducting speelt zich af in de troposfeer, de onderste laag van de atmosfeer (0–12 km hoogte), hetzelfde deel waar wolken, wind en regen ontstaan. Het heeft niets te maken met de zon, zonnevlekken of magnetische activiteit.

Het ontstaat door een temperatuurinversie: een warme, droge luchtlaag die boven een koele, vochtige laag hangt. Normaal daalt de temperatuur met hoogte, maar bij inversie is dat omgekeerd. De atmosferische brekingsindex (refractiviteit N) daalt dan zo snel met hoogte dat VHF-radiogolven worden teruggebogen naar de aarde in plaats van rechtuit te gaan. Signalen worden als het ware gevangen in een onzichtbare atmosferische geleider, een duct, vergelijkbaar met licht in een glasvezelkabel. Zo'n opening houdt meestal uren aan, soms dagen.

  • Oorzaak: temperatuurinversie, hogedrukgebied, warme zomerdagen aan de kust
  • Hoogte: 0–3 km (troposfeer)
  • Banden: 2m (144 MHz), 70cm (432 MHz), 23cm (1296 MHz) en alle microgolfbanden. Het effect wordt pas echt merkbaar boven ongeveer 144 MHz; op 6m (50 MHz) is het incidenteel en veel zwakker, en HF wordt er niet door beïnvloed
  • Afstanden: 200–2500 km, afhankelijk van de sterkte
  • Wanneer: stabiel zomerweer, hogedruk boven West-Europa, sterkst boven de Noordzee en Middellandse Zee

Ionosferische fenomenen: gebonden aan de zon

Aurora, E-skip en sporadische E spelen zich af in de ionosfeer, op 90–800 km hoogte, een heel andere laag, met heel andere oorzaken:

  • Aurora (poollicht): ontstaat tijdens geomagnetische stormen door zonnedeeltjes die langs de aardmagneetpolen binnendringen. Vereist een verhoogde Kp-index (5+). VHF-signalen reflecteren via het poollichtgordijn voor N–Z verbindingen, maar klinken vervormd (buzz).
  • E-skip / Sporadische E (Es): tijdelijke, onregelmatige ionisatiepatches in de E-laag (95–120 km hoogte). Oorzaak nog niet volledig begrepen, maar sterk seizoensgebonden. Het seizoen begint half mei, piekt in juni/juli en loopt af in augustus. Opent de 6m-band (magic band) voor hops van 800–2200 km via één Es-wolk, soms ook 4m. Bij uitzonderlijk sterke ionisatie loopt de Es-MUF boven 144 MHz en is 2m mogelijk. Dan meestal via één zeer intense wolk (500–1500 km); 2m-Es via twee opeenvolgende wolken is extreem zeldzaam. Bij die hoge MUF's is ook de FM-omroepband (87–108 MHz) betrokken. Staat los van de Kp-index; met de zonnecyclus is hooguit een zwak verband gevonden, dat per wereldstreek ook nog van teken wisselt (positief in Europa, negatief in Australazië). Zie Wanneer treedt sporadische E op? hieronder voor seizoen, dagritme en herkomst.
  • E-skip N-Amerika: vereist twee of meer aaneengesloten Es-hops (3500 km of meer), zeldzaam en onvoorspelbaar.

Bron voor hoogte, afstanden en seizoen: Sporadic E propagation (E-regio 95–120 km, 800–2200 km per Es-wolk, MUF meestal 25–150 MHz, seizoen half mei–half juli met uitloop).

Waarom staan ze dan samen op deze pagina?

Alle drie de fenomenen maken VHF-verbindingen op afstanden groter dan line-of-sight mogelijk, en zijn daardoor interessant voor dezelfde doelgroep (2m/70cm operators). Maar de oorzaken, voorspelbaarheid en bruikbare banden zijn volledig anders:

FenomeenLaagOorzaakBandenSeizoen
DuctingTroposfeer (0–12 km)Temperatuurinversie (weer)2m, 70cm, 23cm+Hele jaar, piek zomer/nazomer
Sporadische EE-laag (~110 km)Niet sluitend verklaard, seizoensgebonden6m, 4m, soms 2mMei–augustus, kleine piek in december
AuroraIonosfeer (~100 km)Geomagnetische storm (Kp 5+)2m, 70cmHeel jaar, bij storms
"Gesloten" bij Aurora of E-skip zegt dus niets over ducting. Je kunt sterke ducting hebben terwijl alle ionosferische modes gesloten zijn. Dat is normaal en verwacht.

Bronnen: ducting en refractiviteit, ITU-R P.453 en ITU-R P.834; sporadische E (hoogte, afstanden, seizoen) (Sporadic E propagation; aurora en de Kp-drempel) NOAA G-schaal (G1 = Kp 5) en SWPC aurora-verwachting.

Sporadische E is per opening onvoorspelbaar, maar over een heel jaar gemeten zit er wel degelijk een patroon in. Die patronen zeggen niets over vanmiddag; ze vertellen wanneer het de moeite waard is om te luisteren.

Seizoen

  • Op onze breedte begint het seizoen half mei, ligt de piek in juni en zakt het na half juli weg; in augustus is het niet meer betrouwbaar. Dat is het venster dat deze pagina als "hoofdseizoen" markeert.
  • Openingen die tot 2m (144 MHz) reiken vallen vrijwel alleen in juni en juli. Op 6m en 4m ligt het venster ruimer.
  • Er is een tweede, veel kleinere piek rond de winterzonnewende (december). Die haalt de hoge VHF-banden zelden, maar op 10m en 6m is hij merkbaar. Op het zuidelijk halfrond ligt alles een half jaar verschoven: daar is november tot februari het hoofdseizoen.

Dagritme

Binnen een dag zijn er twee pieken: één rond het midden van de dag en één rond 19:00 uur. Daartussen, in de namiddag, en vooral in de vroege ochtend is het rustiger, en 's nachts gebeurt er bijna niets.

Die tijden zijn lokale tijd, niet UTC. In de Nederlandse zomer scheelt dat twee uur, dus de avondpiek valt hier rond 17:00 UTC. Wie een tabel met UTC-tijden overneemt zonder die omrekening, zoekt op het verkeerde moment.

Waar op de wereld

Wat hierboven staat geldt voor de middenbreedtes, waar Nederland in valt. Elders is het een ander verschijnsel met dezelfde naam: rond de evenaar is Es vooral een dagverschijnsel zonder duidelijk seizoen, en op hoge breedte is gewone Es juist zeldzaam en hangt wat er is samen met poollicht en magnetische verstoring (auroral E). Dat laatste is de reden dat een pad over de pool zich niets van ons zomerseizoen aantrekt.

Waar komt de ionisatie vandaan?

Daar is geen sluitende verklaring voor, en dat is geen slag om de arm van ons: de vakliteratuur zegt het zelf. De sterkste aanwijzing is dat het om metaalionen gaat, ijzer en magnesium, die vrijkomen als micrometeorieten verbranden in de zone tussen 100 en 140 km hoogte. Die ionen leven veel langer dan gewone ionisatie en kunnen zich tot dunne, dichte wolken samenpakken. Wie dat als vaststaand mechanisme leest, gaat een stap verder dan de metingen toelaten: het is een gevonden samenhang, geen bewezen keten.

Wat wél vaststaat is het gevolg. De ionisatie in zo'n wolk kan een veelvoud zijn van wat de gewone E-laag ooit haalt, ook op het hoogtepunt van de zonnecyclus, en juist daarom komen frequenties tot ver in het VHF-gebied nog terug. De Es-MUF ligt meestal tussen 25 en 150 MHz; bij hoge uitzondering is 225 MHz gehaald.

Let op wat dit niet is. Dit zijn kansen over vele jaren, geen verwachting voor vandaag. Wat er nú boven ons hangt staat in de sectie Sporadic-E, en dat oordeel rust op de gemeten foEs van de ionosondes en op werkelijke verbindingen, niet op deze klimatologie.

Bronnen: seizoen, breedtegraad, frequentiebereik en de meteoorionen-hypothese uit Sporadic E propagation (met daarin Harrison, Amateur Radio 91/1, 2023 en Maruyama, JGR Space Physics 113, 2008); dagritme, de decemberpiek en het ionisatieniveau uit Electronics Notes, Sporadic E propagation.

Propagatie is de manier waarop radiosignalen zich verspreiden van zender naar ontvanger. Voor HF-radio (kortegolf, 3–30 MHz) is de ionosfeer cruciaal: signalen kunnen "stuiteren" tussen de aarde en ionosfeerlagen, waardoor communicatie over duizenden kilometers mogelijk wordt, zonder satellieten of internet.

Ionosfeerlagen

  • D-laag (50–90 km): Aanwezig overdag. Absorbeert lagere frequenties (160m, 80m). Verdwijnt 's nachts.
  • E-laag (90–150 km): Overdag actief, geschikt voor regionale communicatie tot ~2000 km. Sporadische E (Es) kan in de zomer openingen geven op 6m en 10m.
  • F-laag: De belangrijkste laag voor DX. Splitst overdag in F1 (~150–220 km, alleen overdag) en F2 (~250–400 km overdag, 's nachts soms 400–500 km). De F2-laag reflecteert signalen het verst en bepaalt de MUF. De 800 km-grens geldt voor de topside ionosfeer, typische propagatiehoogtes liggen lager.
De genoemde hoogtes zijn gangbare bandbreedtes en verschillen per bron: Ionosphere (Wikipedia) noemt D 60–90 km, E 105–160 km, F1 160–180 km en F2 200 tot >800 km. Achtergrond: SWPC, de ionosfeer. De werkelijke hoogte van het F2-maximum op dit moment staat als hmF2 in de ionosonde-sectie hierboven.

Bron: de laagindeling en de hoogtes volgen de ionosfeerbeschrijving van NOAA SWPC en ITU-R P.531 (ionosferische propagatiegegevens).

Zonneactiviteit

  • SFI: Radiostraling van de zon op 10,7 cm (2800 MHz), gemeten in Penticton (Canada), zie SWPC over F10.7. <70 = slecht, 70–100 = matig, 100–150 = goed, >150 = uitstekend. Die vier klassen zijn een amateurconventie, geen officiële NOAA-indeling.
  • SSN: Aantal zonnevlekken. Meer = betere propagatie op hogere banden.
  • X-Ray Flux: A/B = rustig, C = licht, M = matig (HF-blackout mogelijk), X = sterk (ernstige blackout).

Geomagnetische activiteit

  • Kp Index (0–9, in stappen van ⅓): planetaire 3-uurs geomagnetische activiteit, het gemiddelde van de K-waardes van 13 sub-aurorale observatoria (GFZ Potsdam, Matzka et al. 2021). Lokale K-waardes (bijv. van een nationaal observatorium) kunnen afwijken. 0–2 = rustig · 5 = G1 (minor) · 7 = G3 (strong) · 8–9 = G4/G5 (severe/extreme).
  • A Index: dagwaarde op een schaal 0–400, afgeleid uit de acht K-waardes van die dag (SWPC: Station K and A indices). 0–7 = rustig · 8–15 = onrustig · 16–29 = actief · 30–49 = kleine storm · 50+ = grote storm. Ook deze labels zijn amateurconventie.
  • Bz: de noord-zuidcomponent van het interplanetaire magneetveld. Negatief (zuidwaarts) = efficiënte energie-overdracht naar de magnetosfeer = geomagnetische activiteit stijgt (SWPC: zonnewind).

Ionosfeermetingen

  • MUF: Hoogste frequentie die nog reflecteert via de ionosfeer voor een bepaald pad.
  • foF2: Hoogste frequentie die loodrecht terugkaatst. Bepaalt de bovengrens voor NVIS.
  • hmF2: Hoogte F2-maximum. Hoger = langere sprongen mogelijk.

MUF en foF2 hangen samen: MUF(3000) = foF2 × M(3000)F2, waarbij M(3000)F2 per definitie de verhouding is tussen de MUF over 3000 km en foF2 (UKSSDC). Die factor hoeft niet geschat te worden: de ionosondes meten hem en leveren hem mee. Op dit moment is het gewogen gemiddelde over de EU-stations 3.27. In de praktijk ligt hij rond de 3 (ruwweg 2,8–3,4, afhankelijk van hmF2 en tijd van het jaar). Een foF2 van 6 MHz geeft dus een MUF(3000) van ~17–20 MHz, 20m open, 15m dicht of marginaal.

Dat getal is ook de sanity-check op de geometrie: de secanswet mét aardkromming geeft bij 3000 km en een F2-laag op 300 km precies 3,28, netjes binnen het gemeten bereik. De vlakke-aarde variant (√(1+(D/2h)²)) geeft daar 5,10 en is dus onbruikbaar voor lange paden; deze pagina gebruikt hem niet.

Let op de "3000 km" in MUF(3000): voor kortere paden is de bruikbare frequentie lager, omdat steilere stralen makkelijker door de laag heen schieten, zie de uitleg bij prop.kc2g.com/about.

Bronnen: zonne- en geomagnetische indicatoren van N0NBH/HamQSL en NOAA SWPC; ionosfeermetingen (foF2, MUF, foEs) van de GIRO-ionosondes. Proton- en elektronenflux komen rechtstreeks van GOES, zie de opmerking onder de tabel Solar Data.

NVIS (Near Vertical Incidence Skywave) is een techniek waarbij HF-signalen bijna loodrecht omhoog worden gezonden. De ionosfeer reflecteert ze terug: communicatie binnen ~500 km, inclusief gebieden achter bergen.

  • Frequentie moet onder de foF2 liggen
  • Typisch bruikbaar op 80m en 40m
  • Frequentiekeuze afhankelijk van foF2: overdag meestal 40m (of 60m), 's nachts op 80m of 160m wanneer foF2 lager is. Hulpdiensten gebruiken NVIS 24/7 met bandwisseling rond zonsopkomst/-ondergang
  • Wordt gebruikt door hulpdiensten en expedities

Bron: Near vertical incidence skywave, dekkingsgebied circa 80–500 km, werkfrequenties tussen ~1,8 en 8 MHz en altijd onder de kritische frequentie (foF2), waardoor 40m overdag en 80m/160m 's nachts de logische keuzes zijn.

Bandstatus

Een band is bruikbaar tussen twee grenzen. Daarom staat er bij elke band ook een reden:

  • Open (groen): onder de FOT (0,85 × MUF, de klassieke optimale werkfrequentie), betrouwbare propagatie
  • Marginaal (geel): tussen FOT en MUF, wisselende propagatie
  • Gesloten (grijs): boven de MUF, geen reflectie
  • D-laag absorptie: onder de LUF. De F-laag zou het signaal wél terugkaatsen, maar de D-laag slokt het onderweg op. Omdat absorptie met ~1/f² loopt, treft dit de laagste banden het hardst: op een zomermiddag zijn 160m en 80m voor DX dood terwijl de MUF-test ze "open" zou noemen, en na zonsondergang komen ze juist op.
De LUF-waarde is een schatting, geen meting: hij volgt uit de zonshoogte, met de DRAP-absorptie als bodem. Of die schatting klopt houden we bij, zie de trefzekerheidstabel bij "Hoe wordt de HF-conditiescore berekend". 6m en 4m staan buiten dit verhaal: die volgen de Sporadic-E-indicator.

MUF Wereldkaart (KC2G)

  • Paars/blauw (5–10 MHz): Alleen lagere banden open
  • Groen (10–18 MHz): Goede propagatie, 30m–17m open
  • Geel/oranje (18–28 MHz): Uitstekend, 15m–10m open
  • Rood (28+ MHz): Topcondities, 10m en 6m mogelijk open
Lees de kaart via de contourlijnen, niet via de kleur alleen, en let op de kanttekeningen van de maker: gekleurde stippen zijn échte metingen, het gebied ertussen is interpolatie en kan ver van een station onrealistische waarden geven. Voor paden korter dan 3000 km ligt de bruikbare frequentie lager dan de MUF(3000). Zie prop.kc2g.com/about.

Bron: de wereldkaart en de M(3000)F2-methode van prop.kc2g.com, gebouwd op de metingen van de GIRO-ionosondes. De bandstatus zelf is onze eigen afweging tussen MUF, FOT en LUF.

De MUF die bovenaan de pagina staat, geldt voor de ionosfeer bóven ons. Zodra je verder wilt dan een paar honderd kilometer, is dat de verkeerde vraag. Je signaal kaatst dan namelijk niet hier terug maar honderden of duizenden kilometers verderop, en dáár heerst een andere ionosfeer: het is er later of vroeger op de dag, de zon staat er anders, en het is er misschien al nacht. De sectie MUF Paden rekent daarom per richting.

Sprongen en reflectiepunten

Een signaal komt niet in één keer aan de andere kant van de wereld. Het kaatst tussen de ionosfeer en de grond heen en weer, en elke boog heet een sprong. Hoeveel er nodig zijn volgt uit de hoogte van de F2-laag: hoe hoger die ligt, hoe verder je per sprong komt, en hoe minder sprongen je nodig hebt. Bij een laag van ongeveer 270 km haal je maximaal zo'n 3600 km per sprong, dus een pad van 9000 km kost er drie.

Midden op elke sprong ligt het reflectiepunt: de plek waar het signaal de ionosfeer werkelijk raakt. Dat zijn de punten die op de kaart staan. Voor elk punt zoeken we de ionosondes binnen 3500 km, wegen hun foF2 naar afstand (een station twee keer zo ver weg telt vier keer zo licht mee), en rekenen daaruit de MUF van díé ene sprong.

De zwakste schakel bepaalt het pad

Van al die sprongen telt de laagste MUF. Een ketting is zo sterk als zijn zwakste schakel: gaat je signaal er halverwege doorheen, dan heb je aan de rest van de route niets meer. Daarom kan een pad dicht zijn terwijl de ionosfeer boven ons uitstekend is.

Naast die bovengrens is er een ondergrens, en die werkt precies andersom. De D-laag absorbeert lage frequenties in plaats van ze terug te kaatsen, en hij bestaat alleen waar de zon schijnt. Ook die wordt per reflectiepunt bepaald, en hier telt juist het hoogste punt: één plek in vol daglicht is genoeg om je signaal op te eten, ook al is de rest van de route donker. Een band is bruikbaar tussen die twee grenzen in.

Waarom er soms "grayline" staat

Ligt élk reflectiepunt in de schemer en geen enkel in daglicht, dan is de D-laag overal weggevallen terwijl de F2-laag zijn lading nog uren vasthoudt. De demper verdwijnt, de spiegel blijft staan. Dan zakt de ondergrens naar zijn nachtwaarde en gaan de lage banden open die er overdag niet in zitten. Zulke paden krijgen een badge en op de kaart een dikke groene lijn. Het duurt meestal niet lang: bij lange paden gaat het om een venster van een uur of anderhalf rond zonsopkomst of zonsondergang.

De tabel lezen

  • Hops: het aantal sprongen. Elke extra sprong kost signaal, want tussendoor kaatst het tegen de grond.
  • MUF: de hoogste bruikbare frequentie van de zwakste sprong. Staat er een sterretje achter, dan kon een deel van de reflectiepunten niet bepaald worden en rust het getal op minder dan het lijkt.
  • Hoogste band: de hoogste band die onder de FOT valt (0,85 × MUF), met daarnaast in geel de banden die tussen FOT en MUF zitten en dus wisselvallig zijn.
  • Ondergrens: onder deze frequentie is het pad dicht door absorptie, ongeacht wat de MUF zegt.
  • Basis: gemeten betekent dat bij elk reflectiepunt een ionosonde stond, deels gemeten dat we er ergens één moesten missen, en geen dekking dat er nergens op de route een meting was. Dat laatste betekent nadrukkelijk niet dat het pad dicht is, alleen dat wij er niets over kunnen zeggen.

De kaart lezen

Elke lijn is een grootcirkel vanaf Dordrecht, met de reflectiepunten erop. Een gevulde groene stip betekent dat er een ionosonde in de buurt stond; een holle oranje stip dat we de ionosfeer boven ons hebben moeten gebruiken, wat een aanname is. Klik op een stip en je ziet welke stations die waarde maakten, met plaats, afstand en hun aandeel. De schaduw is de nacht en de gestippelde lijn is de dag/nachtgrens.

De vaste richtingen in de tabel zijn representatieve paden, geen exacte bestemmingen. De afstand is de padlengte waarmee gerekend wordt, niet de afstand tot precies dat ene punt op de kaart.

Wat een ionosonde doet

Een ionosonde is een radar die recht omhoog kijkt. Hij zendt een korte puls uit, begint bij ongeveer 1 MHz en loopt omhoog tot een megahertz of twintig, en meet per frequentie hoe lang het duurt voor de echo terugkomt. Uit die looptijd volgt de hoogte waarop de ionosfeer die frequentie terugkaatst. Bij een bepaalde frequentie komt er niets meer terug: daar gaat het signaal er recht doorheen. Dat is de kritische frequentie, en voor de bovenste laag heet die foF2.

Het beeld dat daaruit rolt heet een ionogram. Een programma leest daar automatisch de kentallen uit die je op deze pagina terugziet: foF2, de hoogte van het maximum, de dikte van de laag, en de MUF voor een sprong van 3000 km. Bij elke meting hoort een score die aangeeft hoe zeker dat programma van zijn zaak was.

Onze omgeving en de rest van de wereld

De tabel toont alle stations binnen 2000 km hiervandaan. Die beschrijven de ionosfeer boven ons en bepalen samen de foF2, de MUF en de conditiescore op deze pagina. Het dichtstbijzijnde station is Dourbes in België, ongeveer 190 km ver.

Daaronder staat een uitklapper met de stations die verder weg staan. Die tellen niet mee voor onze eigen condities, maar ze zijn wel onmisbaar voor de MUF Paden: zonder een meting bij het reflectiepunt is de MUF van zo'n sprong niet meer dan een aanname. Hoe verder een pad reikt, hoe belangrijker die verre stations worden.

Het worden er steeds minder

Dat is geen indruk maar een telling. Het register van het wereldwijde ionosondenetwerk bevat ruim honderd stations. Toen wij ze op 4 augustus 2026 stuk voor stuk bij de bron opvroegen, leverden er nog 26 gegevens. De rest staat er nog wel in, maar zwijgt: sommige een paar uur, veel andere maanden, en een aantal al jaren.

Dat is niet alleen jammer, het is ook verraderlijk. De centrale database blijft van een gestopt station namelijk de laatste gemeten waarde tonen, zonder dat je aan het getal ziet hoe oud het is. Een station dat in 2023 voor het laatst mat, oogt dan precies zo betrouwbaar als een station dat vijf minuten geleden nog draaide. Daarom laten wij alles vallen dat ouder is dan anderhalf uur, en zetten we de leeftijd er zichtbaar bij.

De gaten die overblijven zijn groot. Rond de evenaar en op het zuidelijk halfrond stonden er altijd al weinig, maar inmiddels zijn er ook complete zones op het noordelijk halfrond waar duizenden kilometers achtereen niets meer meet, zoals boven de oceanen en over grote delen van Azië. Voor korte paden merk je daar niets van; voor een pad dat daar dwars doorheen loopt betekent het dat de voorspelling deels op aannames rust. Op de kaart zie je dat aan de holle stippen.

Waarom het gebeurt, kunnen wij uit deze gegevens niet aflezen. Wat we wel zien is het patroon: stations vallen één voor één weg, niet allemaal tegelijk, en wie eenmaal gestopt is komt vrijwel nooit terug. Dat past bij apparatuur die aan het eind van haar leven is en niet vervangen wordt, eerder dan bij een storing of een gezamenlijk besluit. Maar dat is een gevolgtrekking uit de cijfers, geen bevestigde reden, en zo moet je het ook lezen. Wie het beter weet houden wij ons aanbevolen.

Er is een tweede bron die niet in dat register zit en die voor Europa gewoon doorlevert. Die vullen we automatisch aan, zodat een storing bij de ene bron niet meteen de hele pagina stil legt.

Het hoogteprofiel is een dwarsdoorsnede door de onderkant van de ionosfeer boven onze dichtstbijzijnde ionosonde. Verticaal staat de hoogte, horizontaal de plasmafrequentie: de frequentie die op die hoogte nog recht omhoog terugkaatst.

Zo werkt het

Je signaal komt van onderen binnen en gaat omhoog door steeds dichter plasma. Het keert om op de hoogte waar zijn frequentie de curve raakt. Een laag signaal keert dus laag om, een hoog signaal dringt dieper door. Boven de top van de curve, bij foF2, houdt het op: die dichtheid komt in de ionosfeer niet voor, dus daar gaat alles recht doorheen en verdwijnt in de ruimte.

Daarom loopt de as niet door tot 30 MHz. Het is geen keuze om ruimte te sparen: hoger dan foF2 wordt het plasma simpelweg niet. Wel is dit de grens voor een signaal dat recht omhoog gaat. Ga je schuin de lucht in, dan kijkt je signaal onder een scherpe hoek tegen dezelfde laag aan en komt het er niet doorheen; die grens ligt drie keer zo hoog en heet de MUF. Je eigen zendfrequentie staat dus niet op deze as.

Wat je eraan hebt

  • De hoogte van het maximum bepaalt hoe ver je in één sprong komt. Ligt de laag hoog, dan haal je bijna 4000 km; ligt hij laag, dan gaan daar honderden kilometers af en heb je een sprong extra nodig, met het verlies dat daarbij hoort. Dat getal staat er als afgeleide waarde bij, met een stippellijn eromheen omdat het berekend is en niet gemeten. Let op de voorwaarde: die maximale sprong haal je alleen vlak onder de MUF. Op een lagere frequentie keer je lager om en spring je korter.
  • De E-laag ligt rond de 100 km en staat als los punt in de grafiek. Is die sterk, dan kaatsen de lagere banden daar al terug in plaats van hoger in de F2-laag, en kom je dus veel minder ver. Dat heet afschermen.
  • Sporadische E is een dunne, onvoorspelbare wolk op ongeveer dezelfde hoogte die veel hogere frequenties kan terugkaatsen. Staat die waarde hoog, dan is er kans op openingen op 10m en 6m die met de gewone lagen niet te verklaren zijn.
  • De laagste frequentie die nog doorkomt is een maat voor absorptie in de D-laag. Loopt die op, dan wordt de onderkant van het spectrum dichtgedrukt.

Wat gemeten is en wat niet

De vier getallen die de vorm van de curve vastleggen zijn per ionogram gemeten. De curve die daar tussendoor loopt komt uit een standaardmodel voor de onderkant van de F2-laag. Onderaan stopt de lijn net boven de E-laag: daartussen zit een dal dat een ionosonde niet kan zien, want zodra een frequentie door de E-laag heen komt, kaatst hij pas veel hoger weer terug. En boven de top houdt alles op, want een ionosonde kijkt van onderaf en ziet de bovenkant van de ionosfeer principieel niet.

Met de schuifjes onder het hoogteprofiel trek je een straal door de gemeten ionosfeer. Je stelt een frequentie in en de hoek waaronder je de lucht in gaat, en de tekening laat zien waar dat signaal terechtkomt.

De schuifjes

  • Frequentie: waar je op zendt. Verhoog hem en je ziet eerst de steile stralen wegvallen, daarna ook de vlakke.
  • Opstralingshoek: de hoek met de horizon. Recht omhoog is 90 graden, vlak over de horizon is 0. Dit is de hoek die je antenne bepaalt, niet iets wat je zelf kiest.
  • Antenne en hoogte: kies je een antenne, dan krijgen de dunne stralen de dikte van wat er op die hoek werkelijk uitgaat, en verschijnt rechtsboven het bijbehorende diagram.

Wat je ziet

  • De dikke lijn is jouw signaal. Buigt hij om, dan komt hij terug; schiet hij er bovenuit, dan kleurt hij oranje en is hij weg.
  • De dunne lijnen zijn dezelfde frequentie onder andere hoeken. Zo zie je in één blik welke hoeken nog werken.
  • Het groene balkje op de grond is de ring waarbinnen je landt. Links daarvan ligt de dode zone, waar niets neerkomt en je dus niemand hoort en niemand jou. De streepjeslijn rechts is het verste punt, en dat is precies de afstand waarop jouw frequentie de MUF wordt. Nog verder weg heb je een hogere band nodig.
  • De gekleurde banden zijn de lagen. Waar het bolletje ligt, keert je signaal om.

Waarom de antenne alles bepaalt

Voor een pad van een paar duizend kilometer heb je een opstralingshoek van maar een paar graden nodig; voor de regio juist een steile hoek van tientallen graden. Een antenne bepaalt welke hoeken je krijgt, en daar valt met vermogen weinig aan te corrigeren.

Een horizontale antenne, zoals een dipool, heeft altijd een nul langs de horizon: de weerkaatsing in de grond komt in tegenfase terug en dooft het uit. Hoe hoger de antenne hangt, hoe lager de eerste lob komt te liggen, maar op de lage hoeken die echte afstand vragen blijft er weinig over. Een verticale rondstraler heeft dat probleem niet en straalt juist laag, alleen kost hij in de praktijk een paar dB in de grond die hier niet meegerekend zijn. Speel met de hoogte en je ziet het diagram meebewegen: dat is precies het verschil tussen een goede Europa-antenne en een goede DX-antenne.

Wat het niet is

Dit is een uitlegmiddel, geen planner. De simulatie beantwoordt één vraag: buigt de ionosfeer je signaal terug naar de aarde? Of dat signaal de reis ook overleeft is een andere vraag, en daar zit hier niets van in. Concreet ontbreekt:

  • Absorptie. Er zit geen enkele vorm van verlies in. Daarom zie je hier ook geen grayline-effect: dat berust juist op het wegvallen van absorptie.
  • Meerdere sprongen. De tekening stopt na één boog.
  • Eén ionosfeer. Er wordt gerekend met het profiel boven één station. Duizenden kilometers verderop is het daar anders, en dat verschil is bij lange paden juist doorslaggevend.
  • Grondverliezen, antennerendement en ruis bij de tegenstation.

De simulatie rekent haar eigen MUF voor 3000 km uit en zet die naast wat de ionosonde meet, zodat je zelf kunt zien hoe ver ze uit elkaar liggen. Dat verschil is doorgaans een halve tot hele megahertz. Genoeg om het mechanisme te begrijpen, niet genoeg om er een verbinding op te plannen. Klopt er iets niet met wat je in de praktijk hoort, dan heeft de praktijk gelijk.

DRAP voorspelt hoeveel HF-signalen worden geabsorbeerd door de D-laag door verhoogde röntgen- of protonstraling.

  • X-ray events: M/X-flares verhogen direct de D-laag ionisatie aan de dagzijde
  • Proton events (SPE): Energetische protonen veroorzaken "Polar Cap Absorption"

Herstel na X-ray events duurt doorgaans minuten tot enkele uren, de NOAA R-schaal noemt ~1 uur bij R3 (X1), 1–2 uur bij R4 (X10) en meerdere uren bij R5. Proton events kunnen dagen aanhouden.

Bronnen: SWPC D-RAP (het model rekent met röntgenflux én SEP-protonen op de D-laag, 50–90 km, en toont een herstelklok) en de R-schaal voor de duur.

NOAA gebruikt drie afzonderlijke schalen van 1 (minor) tot 5 (extreme) om ruimteweer te classificeren:

G: Geomagnetic Storms (geomagnetische stormen)

Gekoppeld aan de planetaire Kp-index. Direct gevolg voor HF-propagatie en radiocommunicatie op hogere breedtegraden.

NiveauKpEffect op radiocommunicatie
G1 (Minor)5Lichte verslechtering op hoge breedtegraden, aurora zichtbaar vanaf ~60° geomagnetische breedte
G2 (Moderate)6HF-propagatie kan wegvallen op hoge breedtegraden, aurora tot ~55° geomagnetisch
G3 (Strong)7HF wordt onregelmatig/met onderbrekingen, aurora tot ~50° geomagnetisch (NL mogelijk)
G4 (Severe)8Sporadische HF-propagatie, aurora tot ~45° geomagnetisch
G5 (Extreme)9HF kan één tot twee dagen in grote gebieden onmogelijk zijn, aurora tot ~40° geomagnetisch
De breedtegraden in deze tabel zijn geomagnetische breedtes, niet geografische. Nederland ligt op ~53° geomagnetisch, vandaar dat aurora hier vanaf ongeveer G3 in beeld komt. De Kp-index zelf is het gemiddelde van 13 sub-aurorale observatoria (GFZ Potsdam).

R: Radio Blackouts (HF-blackouts door röntgenflares)

Gekoppeld aan GOES X-ray flare klasse. Alleen op de dagzijde van de aarde, directe respons.

NiveauFlareEffect op HF
R1 (Minor)M1Zwakke degradatie van HF op de dagzijde; incidenteel kort verlies van verbinding
R2 (Moderate)M5Beperkte HF-blackout op de dagzijde; verbindingsverlies gedurende tientallen minuten
R3 (Strong)X1Brede HF-uitval op de dagzijde, ongeveer een uur; navigatiesignalen verstoord
R4 (Severe)X10HF-blackout op vrijwel de hele dagzijde, één tot twee uur
R5 (Extreme)X20+Volledige HF-blackout op de hele dagzijde, urenlang
Absorptie in de D-laag neemt toe met ongeveer 1/f²: de laagste HF-banden (160/80/40m) vallen als eerste en het hardst weg, terwijl 15m en 10m het langst blijven werken. De R-schaal noemt zelf geen banden. Die verdeling volgt uit de frequentieafhankelijkheid van de absorptie (D-laag-absorptie).

S: Solar Radiation Storms (zonneprotonenstormen)

Gekoppeld aan de protonflux (>10 MeV). Beïnvloedt voornamelijk poolroutes via Polar Cap Absorption (PCA).

NiveauProtonflux (pfu)Effect
S1 (Minor)10Kleine hinder op HF in de poolgebieden; geen biologisch effect
S2 (Moderate)100Kleine effecten op HF via de poolgebieden; verhoogd stralingsrisico voor passagiers/bemanning in hoogvliegende vliegtuigen op hoge breedte
S3 (Strong)1.000Verslechterde HF-propagatie via de poolgebieden; EVA-astronauten wordt aangeraden straling te vermijden
S4 (Severe)10.000HF-blackout op poolroutes; onvermijdbaar stralingsrisico voor EVA-astronauten
S5 (Extreme)100.000Zelden: complete HF-blackout via de poolgebieden mogelijk; hoog onvermijdbaar stralingsrisico bij EVA

Bron: NOAA Space Weather Scales (spaceweather.gov), de effectbeschrijvingen hierboven volgen die officiële tabel.

De zon doorloopt een cyclus van ~11 jaar. Cyclus 25 bereikte zijn piek in oktober 2024, met een voorlopig gladgestreken maandelijks zonnevlekkengetal van 160,8. Aanzienlijk hoger dan de voorspelling van het NOAA/NASA-panel uit 2019 (105–125). Volgens SIDC "blijft een tweede maximum mogelijk, maar is het onwaarschijnlijk dat het hoger uitkomt dan dat van oktober vorig jaar": de zon voltooide zijn polaire veldomkering al in 2023 en de cyclus is ruim 5,5 jaar op weg. De dalende fase verloopt dus niet noodzakelijk vloeiend, SIDC noemt het "vrijwel zeker" dat er de komende 2–3 jaar nog episodes met sterk verhoogde zonne- en geomagnetische activiteit volgen. Het volgende minimum wordt rond 2030 verwacht (cyclus 26 zou volgens het panel tussen 2029 en 2032 kunnen beginnen).

Bronnen: SIDC, SC25 maximum in October 2024, SIDC/STCE-bevestiging (SSN 161) en SWPC Solar Cycle Progression.

  • Minimum: Weinig vlekken, hogere banden (15–10m) grotendeels gesloten
  • Stijgende fase: Propagatie verbetert geleidelijk, hogere banden openen
  • Maximum: Beste DX op alle banden, inclusief 10m en 6m
  • Dalende fase (nu): de activiteit neemt over meerdere jaren af, maar níet gelijkmatig, de SFI kan nog lang boven 120 blijven en 10m/15m dus nog geregeld openen. Kijk naar de actuele SFI in de KPI's bovenaan deze pagina in plaats van naar de fase.

Actuele cyclusstatus: SWPC Solar Cycle Progression, SILSO (SSN) of HamQSL (N0NBH).

Meerdaagse verwachting (27 dagen)

NOAA SWPC publiceert een vooruitblik met per dag de verwachte solar flux (F10.7), de planetaire Ap-index en de hoogste Kp. De periode is precies 27 dagen omdat de zon er (gezien vanaf de aarde) ongeveer 27 dagen over doet om één keer rond te draaien (de synodische rotatie). Een actief gebied dat nu naar de achterkant draait, verschijnt na ~27 dagen weer aan de rand: vandaar het terugkerende patroon.

  • De F10.7-lijn is doorgaans betrouwbaar, de zon verandert traag van dag tot dag.
  • De Ap/Kp-staven zijn een statistische verwachting: exacte stormpieken hangen af van onvoorspelbare flares en CME's en kunnen dus afwijken. Gebruik ze als indicatie, niet als garantie.
  • De "Nu"-lijn in de grafiek markeert vandaag; de tabel toont de eerstkomende 7 dagen met een rust/onrustig/storm-label.

Bron: SWPC 27-Day Outlook, maandags voor 15:00 UTC uitgegeven, met per dag de 10,7 cm-flux, de planetaire A-index en de hoogste dagelijkse K-waarde. SWPC noemt zelf dat de verwachting vooral berust op persistentie van patronen van de ene 27-daagse zonnerotatie naar de volgende, precies de terugkeer die je in de grafiek ziet.

Historische trend (30 dagen)

De afgelopen maand SFI/SSN en geomagnetische rust (Ap, hoogste Kp), op basis van de dagwaarden van GFZ Potsdam en SILSO. Handig om te zien of de condities stijgen of dalen, en om de 27-daagse terugkeer te herkennen: leg de historie naast de verwachting en je ziet vaak hetzelfde ritme terugkomen.

Sporadic-E-indicator (6m / 4m / 2m)

Anders dan de andere indicatoren op deze pagina rust deze op metingen in plaats van op een model. Drie signalen, in volgorde van bewijskracht:

  1. foEs. De gemeten kritische frequentie van de Es-laag (uit de EU-ionosondes). Hieruit volgt de Es-MUF via dezelfde secanswet als bij de F2-laag, maar op ~110 km hoogte: voor een lange enkele hop is dat ongeveer 5,3 × foEs. Praktische drempels: foEs ≈ 9,5 MHz voor 6m (50 MHz), ≈ 13 MHz voor 4m (70 MHz) en ≈ 27 MHz voor 2m (144 MHz). Dit signaal kijkt vooruit: de laag is meetbaar vóórdat er iemand op de band actief is.
  2. Spotdichtheid: aantal 6m/4m-spots in onze eigen DX-cluster-feed over het laatste uur en de laatste 3 uur. Bewijst dat er werkelijk verbindingen gemaakt worden, maar loopt achter en hangt af van hoeveel mensen actief zijn.
  3. HamQSL E-skip-model: het zwakste signaal, alleen gebruikt als de andere twee niets zeggen.

Het sterkste signaal bepaalt de status (Geen indicatie / Mogelijk / Actief / Sterke opening); de indicator vermeldt zelf waaróp die uitspraak rust. Op de bandstatus hierboven volgen 6m en 4m deze indicator en niet de F2-MUF. Die haalt 50 MHz vrijwel nooit.

Bronnen: de meerdaagse verwachting is de 27-day outlook van NOAA SWPC; de historische reeks komt van GFZ Potsdam (Kp, ap, F10.7 en zonnevlekgetal); de Sporadic-E-indicator combineert gemeten foEs van de GIRO-ionosondes met onze eigen spotdichtheid en het model van HamQSL.

  • foEs en spots kunnen elkaar tegenspreken, en dat is geen fout: Es-wolken zijn plaatselijk, dus een opening kan bestaan boven een gebied waar geen ionosonde staat. Andersom kan een hoge foEs boven Spanje niets betekenen voor een pad vanuit Nederland.
  • Weinig spots betekent niet per se dat de band dicht is. Het kan ook zijn dat er niemand uitzendt. Combineer met de live DXMaps 6m-kaart.
  • Hoofdseizoen is mei–augustus; daarbuiten zijn openingen zeldzaam (winter-Es bestaat, maar kort).

VHF (30–300 MHz) werkt normaliter als line-of-sight (LOS) tot ~50–100 km. Maar bijzondere atmosferische en ionosfeerische omstandigheden maken soms DX-verbindingen over honderden tot duizenden kilometers mogelijk.

Troposcatter & Ducting

  • Troposferische refractie: Warme/koude luchtlagen (inversie) buigen signalen over de horizon, bij hoge drukweer tot 500–2000 km (veel op de kust)
  • Troposcatter: Altijd aanwezig; signalen scatteren in de troposfeer voor 300–500 km bereik. Vereist hoge gain-antennes
  • Op deze pagina: realtime Ducting Index (DI 0–9) op basis van het ECCC/MSC GDPS-GEML-model (0,25°-grid ≈ 25 km, twee runs per dag: 00 en 12 UTC). De DI is afgeleid van de refractiviteitsgradiënt (N/km) in de laag 1000–850 hPa: −40 N/km is de standaardatmosfeer, en hoe verder de gradiënt daaronder zakt, hoe sterker de straalbuiging. De Europese heatmap toont de actuele toestand per gridcel van ~25×25 km.
  • De klassieke Hepburn Tropo Index (dxinfocentre.com) gebruikt (net als onze DI) Canadese modeldata (zijn pagina noemt "Meteorological Service of Canada", de dienst achter GEM), maar met een eigen algoritme en een schaal 0–10+. Hepburn geeft prognosekaarten tot ~6 dagen vooruit, handig voor de langere termijn. Ons systeem toont de actuele toestand (nowcast), Hepburn toont de verwachting.
Terminologie volgens de ITU: −40 N/km is de gradiënt van de standaardatmosfeer, niet de ductinggrens. Van ongeveer −79 tot −157 N/km spreekt men van superrefractie; pas onder −157 N/km is de straalkromming groter dan die van de aarde en ontstaat echte trapping (dM/dh < 0), zie ITU-R P.453 en ITU-R P.834. Onze DI begint bewust al bij −40 N/km, omdat verbeterde propagatie op 2m/70cm in de praktijk ruim vóór de trapping-drempel merkbaar wordt; of er echt trapping is, staat apart als "Trapping duct".

Ionosfeerische modes

  • Sporadische E (Es): Patchy ionisatie in de E-laag (95–120 km), vooral in de zomer. Opent 6m (magic band) voor hops van 800–2200 km per Es-wolk, soms ook 4m. Bij incidenteel hoge Es-MUF (boven ~144 MHz): ook 2m mogelijk (dan meestal één intense wolk, 500–1500 km), en de FM-omroepband (87–108 MHz) doet dan eveneens mee. Herkenbaar aan flutter en snel veranderende condities
  • Aurorale propagatie: Tijdens geomagnetische storms (hoge Kp). Signalen reflecteren via het noorderlicht voor 1000+ km N-Z verbindingen, klinken distorted (buzz)

Overige modes

  • Meteor Scatter: Meteoren ioniseren korte trails, bounce voor 1000–2000 km (maximaal ~2300 km, de geometrische grens voor één reflectie op ~100 km hoogte). Gebruik MSK144 in WSJT-X, bijv. tijdens de Perseïden. Zie ook: Meteorenregens 2026
  • Aircraft Scatter: Vliegtuigen reflecteren signalen tijdelijk voor 100–500 km extra bereik
  • Moonbounce (EME): Bounce via de maan voor wereldwijde VHF DX, vereist hoge vermogens en tracking-antennes

Gebruik horizontale polarisatie voor SSB/DX op VHF. Bekijk DX Maps (dxmaps.com) voor real-time Es- en tropo-spots.

Bronnen:ITU-R P.453 (refractiviteit en ductingdrempels), ECCC/MSC GDPS (modelbron van onze DI), Sporadic E propagation (Es-hoogte, afstanden, seizoen), WSJT-X handleiding (MSK144, FT8) en Hepburn Tropo Index.

  • SFI >100 + Kp <3 = ideale HF-condities voor hogere banden
  • SFI < 80 (laag) = hogere banden (15–10m) poor/closed; focus op 40m en 20m
  • Negatieve Bz = let op, geomagnetische activiteit kan toenemen
  • Zonnewind >500 km/s = verhoogde kans op storingen
  • Grayline = plan DX-contacten rond zonsopkomst/-ondergang

Bandkeuze per moment

  • Ochtend: 40m, 30m, 20m, E/W paden openen
  • Middag: 20m, 17m, bij hoge SFI ook 15m/10m
  • Avond: 20m sluit, 40m opent voor DX
  • Nacht: 80m, 40m voor lange afstanden

Handige tools

  • prop.kc2g.com: Real-time MUF-wereldkaart
  • pskreporter.info: Real-time spots via FT8/FT4 op alle banden
  • WSJT-X: Digitale modes (FT8, MSK144) voor weak-signal HF en VHF DX
  • dxmaps.com: Real-time Es, tropo en aurora spots voor VHF

Meer weten: de genoemde hulpmiddelen staan met directe links in de sectie Externe tools & bronnen hierboven, onder meer VOACAP, PSKReporter, het Reverse Beacon Network en WSPRnet.

Naast de vaste stations zijn er continu activators in de lucht: amateurs die vanuit een bijzondere locatie uitzenden, terwijl anderen (chasers of hunters) ze proberen te werken. Het zijn uitstekende, praktische propagatie-indicatoren: zie je veel activators op een band, dan is die band aantoonbaar open richting die gebieden.

  • POTA (Parks on the Air): activaties vanuit natuurparken en reservaten. Laagdrempelig en wereldwijd enorm populair. Referenties als US-0519. Zie pota.app.
  • SOTA (Summits on the Air): activaties vanaf berg- en heuveltoppen, met een puntensysteem op basis van hoogte. Referenties als W2/GC-109. Zie sota.org.uk.
  • WWFF (World Wide Flora & Fauna): activaties vanuit beschermde natuurgebieden, internationaal. Referenties als DLFF-0038. Zie wwff.co.

DXpeditions zijn georganiseerde reizen naar zeldzame of onbewoonde DXCC-entiteiten (landen/gebieden) waar nauwelijks amateurs wonen. Voor veel DX'ers is dit dé kans om een nieuw "land" te werken. De lijst op deze pagina komt van NG3K ADXO (Announced DX Operations); "nu actief" betekent dat de operatie volgens de aangekondigde periode momenteel loopt.

Contesten zijn wedstrijden waarin je binnen een vast tijdvak zoveel mogelijk stations probeert te werken. Tijdens een groot contest is het op de banden enorm druk, ideaal om te zien welke banden open zijn (en om zelf veel verbindingen te maken). De agenda staat op de evenementenkalender, gevoed door de WA7BNM Contest Calendar.

Tip: combineer dit met de bandstatus hierboven. Veel activators of een actieve DXpedition op bijvoorbeeld 10m bevestigt dat die band écht open is, ook als de voorspelling voorzichtig is.

Bronnen: de programma's zelf, POTA, SOTA en WWFF; de DXpeditie-agenda van NG3K ADXO en de contestkalender van WA7BNM.